Het kadaster in het Franse Rijk

Jos Leben

De grondslag van het kadaster in zijn huidige vorm is gelegd na de Franse Revolutie. De doelstelling was om een eerlijke heffing van grondbelasting mogelijk te maken. Daarvoor was het nodig om vast te leggen welke stukken belastbaar waren, met welke waarden en wie de eigenaars waren. In 1791 werd een instelling opgericht die zich ging bezighouden met de nieuwe grondbelasting en het creëren van een kadaster. Het duurt nog een tijdje maar op 30 juni 1802 werd er een commissie opgericht, bestaande uit 7 personen, die het algemeen vervaardigen van het kadaster voorstelde door " masses de culture ". De vordering van 3 november 1802 beval zijn uitvoering. Het principe bestond er in, vertrekkende van een plan van 1/5000, het grondgebied van de gemeente op te delen volgens natuurlijke limieten. Alle percelen die op dezelfde manier bebouwd werden en dezelfde producten voortbrachten (bouwlanden, boomgaarden, tuinen, … ) werden verzameld in één enkele en hetzelfde perceel ( perceel van dezelfde cultuur ).
Hierbij werd alleen de oppervlakte van het perceel van dezelfde cultuur opgemeten en niet van ieder perceel afzonderlijk.
In ieder perceel van dezelfde cultuur werden de percelen verzameld waarbij de oppervlakte door de eigenaars aangegeven werd. De administratie trachtte natuurlijk deze aangiften te controleren. De oppervlakte van het opgemeten perceel werd vergeleken met de totale oppervlakte van de aangiften. Het verschil, indien men geen fout vond, werd uniform verdeeld over alle percelen. De eerlijke eigenaar werd dus benadeeld ten opzichte van de oneerlijke eigenaar en dit bracht problemen.
Napoleon vond dat de halve metingen voor geld - en tijdverlies zorgen. Volgens hem was de enige manier om uit de moeilijke situatie te geraken ieder perceel op te meten en te evalueren. Het was nodig dat de plannen juist en uitgewerkt waren om te dienen om de limieten van de eigendommen te bepalen en processen te vermijden. Voor hem moest het kadaster een fiscaal en juridisch instrument zijn. Op 15 september 1807 kwam dan ook de wet waarbij alle percelen opgemeten en geëvalueerd moesten worden, "Napoleaans kadaster of Ancien kadaster" genoemd.
Daar onze streken een onderdeel van Frankrijk waren gold dit ook voor ons.
Volgende documenten werden opgesteld:
- Nr 1 : Vastleggen van de gemeentelimieten en indeling in secties.
- Nr 2: Vergelijking oude - en nieuwe maten
- Nr 3: Graanprijzen
- Nr 4: Tabel met de eigenaars en de percelen
- Nr 5: Classificatie van de grondeigenschappen
- Nr 6: Tabel met de eigenaars, percelen en hun classificatie
- Nr 7: Voorlopige belastbare inkomens
- Nr 8: Studie van de pachtcontracten
- Nr 9: Definitieve belastbare inkomens
- Nr 10: Proces-verbaal
- Nr 11: Definitieve samenvatting
- Nr 12: Vergelijkingstabel
Na het proces-verbaal moesten de cijfers een goedkeuring bekomen, dit gebeurde bij gelegenheid van een kantonnale vergadering, vanaf dan waren de cijfers definitief. Het zijn de nummers 11 en 12.
Van de nummers 4 en 6 hebben we van geen informatie gevonden.
Het bepalen van de gemeentegrenzen voor Millen startte op 21 september 1804, Val-Meer kwam aan de beurt op 18 oktober 1804, Zichen-Zussen-Bolder op 22 november 1804, Vlijtingen op 10 december 1804 en Herderen, Riemst en Genoelselderen op 20 juni 1805 ( 1 Messidor jaar 13 ). Membruggen volgde op 23 oktober 1807.

Val-Meer
Op 18 oktober 1804 startten de heren P. Lemire, landmeter, en Nijpels, controleur, aan de beschrijving van de grenslijn van het grondgebied van Val-Meer. Ze kregen steun van Pierre Nelissen, burgemeester, en de heren Jean Engels en Paul Castermans. Als startpunt werd het punt genomen waar Millen, Herderen en Val-Meer samenkomen. Vervolgens begaf men zich in de richting van Riemst en zo ging men verder waarbij men Val-Meer steeds aan zijn rechterzijde hield. De beschrijving bevat meerdere bladzijden die we hier niet gaan weergeven. Vervolgens begon men aan de opdeling in secties.
( De schuine tekst in het artikel is een zo getrouwheidsmogelijk vertaling van de Franse tekst )
Deling van de gemeente in secties.
Onmiddellijk na de erkenning van de oppervlakte en begrenzing van het grondgebied van de gemeente van Fall en Meer hebben we, conform aan de instructie van de minister van financiën van 10 Ventose jaar 11 (1 maart 1803 ), met voorafgaande eensgezindheid van de burgemeester en de vertegenwoordiger van de directe belastingen, de erkenning en definitieve indeling van het grondgebied opgedeeld in secties waarbij de eerste sectie aangewezen wordt met de letter A.
De tweede sectie met de letter B
De derde sectie met de letter C
De vierde sectie met de letter D
Daar deze deling niet aan variaties mag onderworpen worden, die alleen misverstanden zouden meebrengen, hebben we een beschrijving gemaakt van de secties.

Sectie A is het gedeelte van het grondgebied van onze gemeente dat:
- Ten noorden begrensd is door de Tongerse steenweg die naar Maastricht leidt.
- Bij zonsopgang door het grondgebied van Riempst.
- 's Middags door de oude Romeinse steenweg, Meerestraat.
- Bij zonsondergang door de weg, Werardsweg genoemd, en het grondgebied van Millen tot aan de Tongersesteenweg die naar Maestricht leidt.
Sectie B is het gedeelte van het grondgebied van onze gemeente dat gelimiteerd wordt door:
- Ten noorden door de steenweg, Meerestraat genoemd.
- Bij zonsopgang door de grondgebieden van Riempst en Sichen-Sussen-Bolre. Vanaf de oude Romeinsesteenweg, Meerestraat genoemd, tot aan de weg van Fall en Meer, Rechtstraat genoemd.
- 's Middags door de weg van Fall en Meer, Rechtstraat genoemd, het dorp doorkruisend tot aan het verbindingspunt en inbegrepen de weg van Fall die naar Millen leidt

Proces_verbaal_nr1_VM.JPG

Proces-verbaal van het vastleggen van de gemeentegrenzen en de indeling in secties van Val-Meer

 Bij zonsondergang door een veldweg, door de weg van Meer die naar Millen leidt en door de Werardsweg tot aan het verbindingspunt van de oude Romeinsesteenweg, Meerestraat genoemd.
Sectie C is het gedeelte van het grondgebied van onze gemeente dat gelimiteerd wordt door:
- Ten noorden door de weg van Fall en Meer, Rechtstraat genoemd, het dorp doorkruisend tot het verbindingspunt en inbegrepen de weg van Fall die naar Millen leidt.
- Bij zonsopgang, vertrekkend van de weg van Fall en Meer, Rechtstraat genoemd, door het grondgebied van Sichen-Sussen-Bolre.
- 's Middags door het grondgebied van Wonck en Bassenge tot aan de weg van Fall die naar Bassenge leidt.
- Bij zonsondergang door de weg van Bassenge die naar Fall en Meer leidt, het dorp doorkruisend tot aan het verbindingspunt van de weg van Fall en Meer, Rechtstraat genoemd.
Sectie D is het gedeelte van het grondgebied van onze gemeente dat gelimiteerd wordt door:
- Ten noorden door het grondgebied van Millen en de weg van Fall die naar Millen leidt tot aan het verbindingspunt van de weg van Fall en Meer die naar Bassenge leidt.
- Bij zonsopgang door de weg van Fall en Meer die naar Bassenge leidt.
- 's Middags door het grondgebied van Bassenge.
- Bij zonsondergang door het grondgebied van Roclenge en Millen.
De huidige goedgekeurde tekst zal ingediend worden bij het secretariaat van de gemeente om de eigenaars en inwoners in te lichten zodat niemand een excuus kan inroepen voor onwetendheid.
Gedaan te Fall en Meer de 23 frimaire jaar 13 ( 14 december 1804 ).
Getekend:
- P.Nelissen, burgemeester J.J. Engels, adjunct
- P. Castermans, aanwijzer
- Nijpels, controleur P. Lemire, landmeter

Op 3 september 1806 meldden zich de heren Guillaume Pierre Stulens, expert, en Mr. Dassier, inspecteur van de belastingen, bij Pierre Nelissen om over te gaan tot de evaluatie van het belastbaar inkomen ( B.I. ) van de gemeente, opdracht die Mr Stulens op 15 november 1805 ontvangen had van de prefect. Zij stelden de documenten 2 tot 10 op.

Nr 2: Vergelijking oude - en nieuwe maten.
Bij de gegevens van Val-Meer hebben we dit niet teruggevonden maar wel bij Zichen-Zussen-Bolder, Vlijtingen en Membruggen. Ze werden in een tabel weergegeven, wij geven er enkelen. De oude maten konden verschillen van dorp tot dorp. Een lieue was in Zichen-Zussen-Bolder 5.515 km, in Vlijtingen was dit 5.4624 km en in Membruggen was dit 5.83098 km. Ook de bonder of bunder verschilde van dorp tot dorp, er was zelfs een verschil tussen Val en Meer. Om een uniform systeem te bekomen in het hele rijk werd het metriekstelsel ingevoerd. In eerste instantie bleef men de oude benaming gebruiken maar men zetten er "métrique" achter.
- Een lieue métrique = 10 km
- Een mille = 1km
- Een arpent métrique = 1 ha
Uit de gegevens van de granen halen we nog dat:
- Een setier métrique = 100 dm3
- Een vat van Maastricht = 23.30 dm3
- Een quintal métrique = 100 kg

Nr 3: Graanprijzen
De graanprijzen van Maastricht, van 15 jaar, behalve bij Weit, werden in een tabel gegoten. Van het totaal werden de twee maximum en twee minimum prijzen ( bij Weit slecht een ) in vermindering gebracht en vervolgens het gemiddelde berekend, dit was de aankoopprijs. Voor de verkoopprijs, voor het inkomen te berekenen, werden de transportkosten afgetrokken, de rit duurde immers 2 uren. ( zie tabel VM_T3 ).
 

graanprijzen  per vat maastrich ta.jpg

Nr 5: Classificatie van de grondeigenschappen.
A. Een beschrijving van Val-Meer
De gemeente Val-Meer bevindt zich op 11 kilometer of één lieue en een tiende lieue métrique van Maastricht, de dichtstbijzijnde marktplaats, en op een kwart van een lieue métrique van de nieuwe grote weg van Maastricht naar Tongeren. Zijn bodem, algemeen hoog gelegen, is zeer droog. Men vindt er geen rivier, beek of fontein. Voor zijn gebruik moet men zich bedienen van regen- en putwater. Zijn producten bestaan uit alle soorten granen en men teelt er ook een weinig hennep en groenten zoals aardappelen, wortelen en bieten. De belangrijkste producten zijn tarwe, rogge, haver, spelt en weit. De grond zou beter bebouwd kunnen worden. Men kweekt paarden, varkens en beesten met hoorns. De landbouw is de enige industrie. De gemeente is samengesteld uit twee aangrenzende dorpen, slechts gescheiden door een straat. Ze behoorden beide tot dezelfde parochie en waren een filiaal van deze van Millen. Ze hadden twee verschillende juridische systemen en twee maatregelen op landbouwgebied. Val was onderworpen aan de wetten van de graaf van Loon en Meer aan deze van het land van Luik. Val-Meer telt 717 inwoners.

B. Bouwlanden ( akkers )
De bouwlanden zijn opgedeeld in 4 klassen volgens de volgende eigenschappen:
De 1ste klasse is samengesteld uit een middelzware teelaarde die ongeveer 6 à 7 duim diepte heeft.
De 2de klasse heeft eveneens een middelzware grond maar compacter en minder zacht met een maximum diepte van 5 duim.
De 3de klasse heeft een ruwe, harde en licht kleiachtige grond, de diepte is slechts die van de ploeg.
De 4de klasse is ook een licht kleiachtige grond vermengd met zand, op sommige plaatsen met stenen. De diepte is die van de ploeg.
4 klassen zijn geschikt voor alle granen alhoewel de 4de niet gelukkig is met haver. Het is voordeliger om er veevoeder te cultiveren zoals wikken of erwten.
De manier van cultiveren bestaat uit drie ploegbewerkingen , drie egbewerkingen en men walst twee maal, dit voor alle klassen. Een man begeleidt twee paarden voor dit werk.
De meststoffen komen van het gebruikte stro. Men koopt er geen aan ondanks dat er een tekort is om de grond zo productief te maken zoals hij zou kunnen zijn. Ze zijn naar evenredigheid ontoereikender voor de kleine landbouwers, in het bijzonder, daar zij de gewoonte hebben om hun oven met stro te verwarmen.
De vruchtopvolging is 6 jaar voor de eerste twee klassen en 3 jaar voor de 3de en 4de klassen.
De tabel VM_T5.1 brengt duidelijkheid.
 

tabelvm t5 1.jpg
tabel vm t5 2.jpg

De tabel VM_T5.2 geeft de verhouding aan tussen zaaihoeveelheid en opbrengst, uitgedrukt in vaten van Maastricht. De gegevens zijn degene die passen bij één bonder. Daar in Val één bonder gelijk was aan 0.87188 ha en in Meer aan 0.84473 ha bracht die van Val meer op met gelijke zaaihoeveelheden . Voor de verdere berekeningen hield men rekening met de gegevens van Val.

De tarwe in de 1ste klasse brengt 10 maal de zaaihoeveelheid op, in de 3de klasse is dit ongeveer 8 maal.

Berekening van het belastbaar inkomen in Franse franken per bonder voor landbouwgronden van klasse 1.
Inkomsten:
- 1ste jaar:
o Tarwe: 60 vaten aan 3.44 FF geeft 206.4 FF
o Rogge: 70 vaten aan 2.57 FF geeft 179.9 FF
o Spelt: 150 vaten aan 1.27 FF geeft 190.5 FF
o Gemiddeld voor het 1ste jaar: 192.27 FF
- 2de jaar:
o Haver: 90 vaten aan 1.21 FF geeft 108.9 FF
o Weit: 70 vaten aan 1.64 FF geeft 114.8 FF
o Gemiddeld voor het 2de jaar: 111.85 FF
- 3de jaar:
o Klaver: 97.24 FF
o Erwten: 70 vaten aan 2.57 FF : 115.65 FF
o Gemiddelde voor het 3de jaar: 106.45 FF
- 4de jaar: zie 1ste jaar
- 5de jaar: zie 2de jaar
- 6de jaar: braak.
Totale inkomsten van 6 jaar: 714.67 FF.

Uitgaven:
- Aankoop van de granen, berekend met de zaaihoeveelheden en de aankooprijs ( gemiddelde prijs in tabel VM_T3 ) geeft een totaal voor 6 jaar van 78,19 FF.
- Andere uitgaven
o Voorbereiding akkers : 150 FF ( 5 jaar aan 30 FF per jaar )
o Maaien : 24,32 FF ( 4 jaar aan 5 florijnen per jaar )
o Opbinden : 4.84 FF ( 4 jaar aan 1 florijn per jaar )
o Botten maken : 4,84 FF ( 4 jaar aan 1 florijn per jaar )
o Transport : 18,20 FF ( 4 jaar aan 3 florijnen 15 sols per jaar)
o Graan opslaan : 7.29 FF ( 4 jaar aan 3 escalins per jaar )
o Dorsen : 48.64 FF ( 4 jaar aan 10 florijnen per jaar )
o Winst landbouwer : 96 FF
Totale uitgaven wordt 432.32 FF en de netto opbrengst over 6 jaar : 282.36 FF.
Per jaar geeft dit een B.I. van 47,06 Franse frank per bonder.

Als berekeningsbasis gebruikte men vooral de Luikse munteenheden en deze werden dan omgezet naar Franse franken.
Eén Luikse florijn = 20 sols = 80 liards. =1.216 FF( afgerond )
Eén escalin = 10 sols
De voorbereiding van de akkers hield 3 maal ploegen, 3 maal eggen en 2 maal walsen in. De meststoffen kwamen van het gebruikt en waren dus gratis.

Belastbaar inkomen voor de 2de klasse.
Indien we, met de opbrengst van de 2de klasse, de inkomsten berekenen komen we aan 625,52 FF over 6 jaar.
De uitgaven werden bepaald aan de hand van de cijfers van de 1ste klasse. De verhouding uitgaven/ inkomsten was voor deze klasse 0.6049 ( de uitgaven was 60,49 % van de inkomsten ) en dit cijfer heeft men gebruikt om de uitgaven van de klasse 2, 3 en 4 te bepalen.
De uitgaven voor de 2de klasse waren dan 378.52 FF en het jaarlijks belastbaar inkomen 41.20 FF per bonder.

Belastbaar inkomen voor de 3de klasse.
Totale inkomsten over 3 jaar: 234.42 FF.
De uitgaven, volgens dezelfde berekening als klasse 2, wordt 141,79 FF.
Dit geeft een jaarlijks belastbaar inkomen van 30.87 FF per bonder.

Belastbaar inkomen voor de 4de klasse.
Totale inkomsten over 3 jaar: 200.98 FF. We bekomen dan een jaarlijks belastbaar inkomen van 26.47 FF per bonder.

Doc_7_grond.jpg

Document nr.7 (gronden)

 

C. Boomgaarden en weilanden
Boomgaarden zijn natuurlijke weiden met fruitbomen beplant zoals peren- , appel- en notenbomen.
Men vindt ook weiden met bomen zoals olmen, essen en populieren. De boomgaarden bevinden zich binnen het bewoonbaar gedeelte van het dorp op grond van 1ste en 2de klasse. Ze zijn opgedeeld in 3 klassen.
De 1ste klasse bevat fruitbomen met een goede opbrengst en van goede kwaliteit die om de 3 jaar vruchten afleveren welke voor een jaarlijkse opbrengst van 25 FF zorgen. Indien men het gras afmaaide zou er 3000 livres hooi voorgebracht worden, aan 2,23 FF ( per 100 livres ) wat neerkomt op een inkomst van 66,90 FF per jaar.
De uitgaven zijn de volgende:
- Maaien en hooien : 9,72 FF
- Opslaan : 3,64 FF
- Allerlei onderhoudsitems : 18,24 FF
- Totaal : 31,60 FF

Netto inkomsten van het hooi : 66,90 - 31,60 = 35,30 FF
Samen met de opbrengst van het fruit ( 25 FF ) brengt dit het belastbaar inkomen op 60,30 FF per bonder.

De 2de klasse bevat slechts voor de helft het aantal fruitbomen van de 1ste klasse. Het belastbaar inkomen is dan 35,30 + 12,50 = 47,80 FF per bonder.

De 3de klasse bestaat uit weiden die bijna geen bomen bevatten. Hun productie is gelijk aan dit van de bouwlanden van 2de klasse, dus 41,20 FF per bonder belastbaar inkomen.

D. Tuinen
De tuinen liggen bij de woningen en hun grond is van 1ste klasse. Men cultiveert slechts groenten voor de consumptie van de tuinbouwer en zijn gezin. Hun product moet geëvalueerd worden aan 1,5 maal dit van de bouwlanden 1ste klasse of 70,59 FF per bonder.

E. Moerassen
Wat het plan moeras noemt zijn 2 poelen. Eentje sectie B nr 20 die slechts een gemeenschappelijke drinkplaats is die afhankelijk van de openbare weg, waarvan hij deel uitmaakt, en dus niet geëvalueerd kan worden. De andere, sectie C nr 37, is een drinkplaats afhankelijk van een particuliere weide en die geëvalueerd moet worden zoals een weide van 3de klasse, dus 41,20 FF per bonder.

F. Onbebouwde grond
Het is een nutteloze en braakliggende grond, teweeggebracht door de bruuskheid van terreinbewegingen en grondverschuivingen. De bodem is dor en met stenen bedekt. Zonder enig rapport en niet in staat om er iets op te cultiveren heb ik hem op het minimum geëvalueerd zoals de wet het voorschrijft. 't Is te zeggen aan 0,45 FF per bonder van de streek.

G. Huizen
Gebouwen, of een gedeelte ervan, die dienst doen als plattelandsbedrijf en binnenplaatsen moeten geëvalueerd worden volgens de taxe wet van de beste bouwgronden van de gemeente namelijk: 47,06 FF per bonder.

Woningen vragen voor een aparte evaluatie. Geen enkel woning in de gemeente wordt verhuurd met een officiële akte. Ze worden door de eigenaars of hun vertegenwoordigers bewoond. Hun verscheidenheid heeft me er toe gebracht om ze in 7 klassen in te delen. Ik nam voor maatstaf hun grootte, situatie en bewoonbaarheid. Ik heb ze dienovereenkomstig ingedeeld volgens de tabel VM_T9.1 ( aantal 1 ).

Nr 7: Voorlopige belastbare inkomens in FF.
Daar de voorlopige en definitieve tarieven van de huizen gelijk bleven wordt er slechts één cijfer gegeven, zie tabel VM_T9.1. Aantal 1 zijn het aantal huizen behorend bij die klasse.
Voor de voorlopige tarieven van de gronden en gebouwen zie tabel VM_T9.2.

 

tabel vm t9 1.jpg
tabel vm t9 2 .jpg

Nr 8: De pachtcontracten

Na het opstellen van de voorlopige tarieven hebben de expert en de controleur een vergelijking gemaakt tussen de bestaande pachtcontracten en een berekening met de voorlopige tarieven. In totaal vergeleken ze 8 contracten, wij geven de detailinformatie van één en een samenvatting van alle 8 ( zie tabel VM_T8.1 ).
 

tabel vm t8 1.jpg

De winning van de heer Dethierry van Luik werd verhuurd volgens een voortdurende pachting aan de heer Pierre Nelissen van Fall. Het huurcontract werd opgesteld op 15 september 1800.
Prijs van het contract:
- 104 muids van Luik spelt aan 15.79 FF : 1642.16 FF
- 25 vaten van Tongeren rogge aan 3.13 FF : 78.25 FF
- Belasting ten laste van de landbouwer : 244.73 FF
- Totaal : 1965.14 FF

Pierre Nelissen huurde één woning klasse 1 en 36ha 61a 35ca landbouwgronden, tuin en boomgaarden gelegen in Val-Meer, Z-Z-Bolder, Millen, Wonck, Bitsingen en Rukkelingen. Volgens hun berekening met de voorlopige tarieven zou het belastbaar inkomen voor dit 1822,67 FF zijn. Voor deze berekening gebruikten ze uitsluitend de voorlopige tarieven van Val-Meer.

Dan berekende men de extra onkosten voor de eigenaar en dit aan de hand van het huurcontract van Pierre Nelissen. Deze onkosten werden in vermindering gebracht op het totaal van de pachtcontracten.
Onderhoud voor de gebouwen : 180 FF
Onderhoud woning : 12.5 FF
Totaal : 192.50 FF
Het totaal van de pachtcontracten wordt dan 3282.27 FF. Dit is 89.64 FF lager dan de berekening met de voorlopige cijfers of 2.658 %.
In Val-Meer was het de gewoonte dat de eigenaar de landbouwer schadeloos stelde wanneer de landbouwer de helft van zijn oogst verloor. Volgens de ondervinding gebeurde dit eenmaal per 15 jaar. De schadeloosstelling kon niet minder zijn dan ¼ van de jaarlijkse som van het pachtcontract : 1.671 %. De totale vermindering was dus 4.329 %. Dit werd afgerond op 4%.

Nr 9 : Definitieve belastbare inkomens.
De voorlopige cijfers werden verminderd met 4%. Voor de woningen werd het belastbaar inkomen juist bepaald en kwam er dus geen vermindering. ( zie tabel VM_T9.2 ).

Nr 10: Proces-verbaal
Het proces-verbaal van de evaluatie is een voorgedrukt verslag waar enkele data en namen werden ingevuld. Op 3 september 1806 begonnen Guillaume Pierre Stulens, expert, en de heer Dassier, inspecteur van de belastingen, aan hun taak. Als aanwijzers werden Nicolas Vandenbosch en Paul Castermans aangesteld. Een document, op datum van 15 november 1804, van de opmetingen verricht door P.Lemire was in het bezit van de expert evenals zijn opdracht. We hebben niet kunnen terugvinden of dit de opmetingen waren van de percelen van dezelfde cultuur.
Verder staat er uitleg in over de nummers 2 tot 9, behalve nr 4.
Van de nr 6 wordt er geschreven dat dit het opstellen van een tabel met de aangiften van de percelen van de belastingplichtigen is en dat dit gebeurt met akkoord van de burgemeester, de aanwijzers en de controleur. Na het bepalen van de klassen en waarden van de eigendommen, onder nr 5, werd dit op de tabel nr 6 bijgevoegd.
Het proces-verbaal werd afgetekend door de heren Stulens en Dassier op datum van 17 december 1806 of 2,5 maanden na de start.

 

Doc_10.jpg



 

Proces-verbaal van evaluatie ( gedeeltelijk)

Nr 11: Definitieve samenvatting
Na de goedkeuring werd er een definitieve samenvatting gemaakt. Deze bevat de oppervlakte en de totale belastbare inkomens, zie tabel VM_T9.1 en 9.2 onder definitieve samenvatting. We merken op dat het aantal huizen ( aantal 2 ) en het totaal gewijzigd zijn ten opzichten van aantal1.

N12: Vergelijkingstabel.
Volgens de oude gegevens bestond Val-Meer uit 504ha 39a 25 ca, nu 509ha 09a 90ca.
Het oude belastbaar inkomen was 5784.19 FF nu 24168.93 FF. Op die som zou men in 1812 2388 FF belastingen moeten betalen of circa 10% van het belastbaar inkomen.

De brief van de heer Dassier.
Na het beëindigen van het opstellen van het kadaster van Val-Meer bezorgde de heer Dassier de documenten aan zijn directeur. Hij schreef er een begeleidende brief bij, opgemaakt te Maastricht op 20 december 1806, van 5 bladzijde, in 't Frans uiteraard. De brief bevat drie delen. In het eerste deel vermeldt hij de documenten en heeft hij het over de tijd die nodig was om die op te stellen. In het tweede deel heeft hij het over de gebreken in het systeem en de onjuistheden en onregelmatigheden die er uit voortvloeien. In het laatste deel stelt hij de oplossing voor die dit kan verhelpen. De man dweepte met eerlijkheid en gelijkheid.
We proberen de inhoud weer te geven.

Hij begon met te zeggen dat hij eindelijk de documenten van de expertise ( hij noemt het opstellen van het kadaster expertise ) van Val-Meer aan hem kon overhandigen. Bijgevoegd bevonden zich:
- De documenten nr 1,2,3,4,5,7 en 8 en de bijvoegsels 9 en 10. ( eigenaardig dat hij document 6 niet vermeldde )
- Het plan van de gemeente.
- Een document dat de heer Dassier van de directeur bekomen had met een begeleidende brief van 1 mei, document nr 72.
Het bepalen van het belastbaar inkomen van Val-Meer had veel tijd gekost, namelijk 98 dagen en dit ondanks dat hij minimum 8, meestal 10, soms 12 en zelfs 14 uren per dag eraan gewerkt had en Val-Meer slechts een gemeente van 500ha was.
Deze 98 dagen had hij besteed aan:
- De nummers van het plan aan de aangiften koppelen: 4d.
- Het opstellen van een tabel met de oude- en nieuwe maten: 4d
- Onderzoek van de aangiften: 7d
- Aanpassingen en items bijvoegen: 5d
- Het doorkruisen van de gemeente om de percelen te kennen waar noodzakelijk een aanpassing moest gedaan worden daar de wegen in het geheel van de aangiften zaten: 10d
- Het opstellen van de toestand van de metingen en in overeenstemming brengen met de nummers van het plan: 49d
- Schattingen: 19d

Hij had het werk met zorg gedaan maar ondanks dat zaten er nog fouten in, hij had er ontdekt bij de berekeningen van de pachtcontracten. De expert had nochtans gedacht, gezien de homogeniteit van het landschap, dat alles vlotjes zou verlopen en er tijd was om de klassering grondig te doen. Indien ze ieder perceel op het terrein hadden moeten klasseren zouden ze met 10 dagen extra niet toegekomen zijn. Het gebeurde soms dat het klasseren van een terrein meer dan 15 minuten duurde, de aanwijzers waren soms hun oriëntatie kwijt en moesten hulp inroepen van de formulieren of van de landbouwers zelfs. Dit alles vergde tijd.
De regering had dit verkeerd ingeschat. De landmeters konden gedaan hebben binnen 10 jaar maar de expertise zou niet binnen de 30 jaar klaar zijn. Dan nog zou er een gebrek aan juistheid en rechtvaardigheid zijn. Dit kwam door artikel 9 van de instructie van 29 oktober 1805: " het zal enkele malen gebeuren dat de totale oppervlakte van de aangiften de totale oppervlakte overschrijdt. In dit geval, als er geen sterke vermoeden is van onjuistheid, verminderen de controleur en de aanwijzers verhoudingsgewijs alle oppervlaktes totdat ze overeenstemmen met de totale oppervlakte. " Deze instructie gaf en zou voor problemen zorgen, zo schreef hij.
Hij nam als voorbeeld een heuvelachtige gemeente. Indien de oppervlaktes niet overeenstemden, dit was niet uit te sluiten, moest de controleur aanpassingen doen volgens de instructie van 29 oktober 1805.
Hij schreef dan letterlijk : Il réduit et les terreins plates et les terreins à mouvement dans la même proportion, il avantageux ceux là aux dépens de ceux ci, est-ce juste?, ( hij vermindert de vlakke en de heuvelachtige terreinen in dezelfde verhouding, hij bevoordeelt die ten koste van deze, is dit juist?
In Val-Meer, en ook elders, bestond er een gewoonte van sommige landbouwers om te trachtte hun perceel te vergroten ten nadele van hun buur. Dit werd in de hand gewerkt daar er bijna geen grensstenen lagen. De aangifte was met de vergroting, hij trachtte dit te verankeren voor de toekomst, en de benadeelde buur gaf de oppervlakte aan waar hij recht op had. "Hoe kunnen we deze oneerlijkheid oplossen?" vroeg hij zich af. Hij vroeg zich dan af wat er zou gebeuren als de belastingplichtigen de gebruiksaanwijzing van het kadaster zou achterhalen en ontdekken dat er horizontaal gemeten was. Nog erger zou het zijn als iemand zijn terrein zou laten opmeten en zou constateren dat zijn terrein minder oppervlakte telde dan volgens het kadaster. De landbouwer zou dit natuurlijk willen laten aanpassen, moest men dan alles herrekenen? Dit zou zich zo vaak kunnen herhalen dat er geen einde aan zou komen.

Zijn voorstel was om ieder perceel afzonderlijk op te meten en te klasseren om alle onjuistheden en onrechtvaardigheden uit de weg te ruimen, want daar ging het toch om. De landmeter zou meer tijd nodig hebben maar de expert zou minder tijd nodig hebben.
Met de komst van het kadaster was het aantal landmeters toegenomen, men kon dus meer landmeters inzetten om de totale tijd te verminderen. De kosten zouden wel stijgen maar niet zoals men zou denken en men kon de kosten drukken.
Vervolgens stelde hij enkele mogelijkheden voor:
- Men zou de kosten kunnen verdelen over de totale algemene uitgaven.
- De gemeenten zouden in de kosten kunnen participeren, de regering moest dan wel een bevel daarvoor geven want uit vrij wil zouden ze het niet doen.
- Ambtenaren zouden sommige documenten kunnen voorbereiden, zoals document nr 6 zodoende de expert alleen nog de klasse zou moeten bijvoegen.
- De lokale departementen zouden de kopieën zelf kunnen maken in plaats van in Parijs, evengoed en beterkoop. Een kopie van het getekend plan kon men nog in Parijs laten maken.
Er waren dus mogelijkheden om dit binnen een redelijke tijd en aanvaarbare kost uit te voeren.
Mon directeur, je maintiens et je constate que l'arpentage par pièce est le seul et unique moyen d'avoir pour le cadastre des résultats prompte exacte et équitable. Oui, mon directeur, le seul et unique, schreef hij. ( mijn directeur, ik houd vol en ik stel vast dat het opmeten van ieder perceel de enige manier is om voor het kadaster snelle, juiste en rechtvaardige resultaten te hebben. Ja, mijn directeur, de enige). Hij drukte vervolgens de wens uit dat de directeur dezelfde mening zou toegedaan zijn want dit zou de opinie van mensen ook in die richting beïnvloeden.
Als laatste deelde hij de directeur mede dat hij zich naar Millen zou begeven en met dezelfde zorg en ijver te werk zou gaan als in Val-Meer.

Nabeschouwingen

De definitieve tarieven of cijfers werden gekoppeld aan de pachtcontracten. Hoe hoger de pachtcontracten, hoe hoger het belastbaar inkomen werd. De verminderingen in de pachtcontracten speelden ook mee. We hebben enkele gemeenten vergeleken en zien een redelijk verschil. We vergelijken de eerste drie klassen van de bouwlanden, zij zorgden voor meer dan 75% van de inkomsten. We geven het B.I. per ha weer.
 

nabeschouwingen.jpg

Indien we Val-Meer en Zichen-Zussen-Bolder vergelijken, krijgen we bij de 1ste klasse een verschil van 25 % en bij de 2de klasse zelfs 30 %. De voorlopige cijfers tussen Val-Meer en Zichen-Zussen-Bolder lagen nochtans in elkaars buurt, sommige iets hoger andere iets lager. Voor de bouwlanden klasse 1 was Zichen-Zussen-Bolder slechts 2.18 % hoger. Had Val-Meer de beste pachtcontracten kunnen afdwingen ?
Als we de cijfers van het kadaster van 1842 nemen, zien we dat voor de bouwlanden 1ste en 2de klasse geen verschil was tussen die twee gemeenten.

Het is natuurlijk spijtig dat we van de tabel met de eigenaars, percelen en hun classificatie ( nr 6 ) niets hebben teruggevonden, evenals van het plan van de gemeente.

Bronnen:
- Rijksarchief Hasselt, Archief van de Directie van het Kadaster in Hasselt. Processen-verbaal van afpaling van de deelgemeenten van Riemst.
- De documenten uit de ontstaan periode van het moderne kadaster.
- Principales dates de l'histoire du Plan Cadastral français.
- Met dank aan Ginette en Tanja.