Het verbrande vaandel

Jos Leben

De Diefstal
Het vaandel van het St-Cecilia zangkoor ( zie artikel St-Cecilia en de katholieke Jonge Wacht ) was aangekocht door Mathieu Schols, handelaar. Hij was geboren te Val-Meer in 1849 als zoon van Antonius Hubert Schols, handelaar, en Maria Defastree; hij was geboren te Maastricht en zij in Tongeren. In het tweede gedeelte van de jaren 1840 lieten ze een huis bouwen op de Bond, waar ze zich ook vestigden. Mathieu was tijdelijk gemeenteraadslid in februari 1874 als hij Walther Herry verving na diens overlijden. De familie Schols verliet Val-Meer 1874/5, hun huis werd overgenomen door de zusters Onclin en later woonde er "Madame van Loon".

De ijverige Pastoor Aerts had voor een patronaatsgebouw gezorgd dat hij gedeeltelijk op eigen kosten liet bouwen. Op 27 juni 1907, bij zijn vertrek, schonk hij het aan de Kerkfabriek.
Bij de inhuldiging van dit patronaat, op zondag 13 november 1898, werd ook het vaandel van het zangkoor gewijd. Tijdens de nacht van 13 op 14 werd het vaandel gestolen en verbrand.

In Het Algemeen Dagblad vinden we volgende tekst : De vlag der Ste-Cecilia, zondag plechtig ingezegend werd 's nachts door kwaaddoeners gestolen - en daarna stuk gescheurd. De politie doet ieverige opzoekingen.

De Bilzenaar schreef: Daags na de wijding van het patronaat van Fall-Mheer werd het barnier op 13 op 14 november ontvreemd door inbraak. Mr pastoor had dit in bewaring sedert het vallen der muziekmaatschappij. Iedereen ziet bezwarende omstandigheden in de inbraak en bijzonder in het laf en schandelijk verbranden van den kostbaren drapeau, terwijl er andere verzachtende omstandigheden doen spruiten uit de questie van eigendom en uit het bestaan van twee partijen te Fall-Mheer.
Pastoor Aerts had het zangkoor, dat ontbonden was geweest, nieuw leven ingeblazen.

Een mondelinge informatiebron beschreef, jaren terug, de diefstal als volgt: Het vaandel bevond zich in de kapenalij. Enkele kornuiten hadden besloten het vaandel te gaan stelen. Een persoon drong binnen terwijl zijn vier medegezellen buiten bleven wachten. Om binnen te dringen moest de persoon over een dubbele waterput kruipen wat zeer gevaarlijk was maar na enige tijd kwam hij naar buiten met het vaandel waar meerdere eretekens aanhingen. Een zesde persoon werd gecontacteerd maar deze wou er niks mee te maken hebben. Hij liet de beslissing over aan de vijf kornuiten die richting "Colen" trokken. Het vaandel werd door de modder gesleept en nu en dan speelden ze paardje op de stok. Daar aangekomen staken ze het vaandel in brand.
's Anderdaags vond een vrouw, die met een koe naar het veld trok, de niet verbranden resten van het vaandel.

De Onderschrijving
Het Algemeen Belang startte hierop een geldinzamelactie voor de aankoop van een nieuw vaandel, " Onderschrijving" genoemd. Iedereen die een storting deed kwam in de krant, met eventueel een bericht.
Onderschrijving om aan de sociëteit " Ste-Cecilia " te Fall-Mheer een nieuw vaandel te bezorgen, ten einde datgene te vervangen dat door kwaaddoeners moedwillig verbrand werd.
De giften kwamen van :
1. Geestelijken uit de omliggende dorpen en ver erbuiten. Zelfs Louis Kerkhofs, de latere bisschop van Luik en Limburg, die toen in Rome studeerde, droeg zijn steentje bij.
2. De Boerengilden van Herderen, Genoelselderen, Millen en Membruggen.
3. Burgers van Tongeren, Hasselt, Maastricht, …..
4. Burgers die onbekend wilden blijven.
5. Val-Merenaren.

De grootste giften waren 20 frank, deze werden gedaan door:
1. Boerengilde van Herderen
2. Mathieu Schols, woonachtig te Maastricht
3. Arnold Lenaerts, deken van de Boerengilde
4. Laurent Huls, voorzitter van de Boerengilde
5. Willem Savenay, schatbewaarder van de Boerengilde
6. Renier Vossen
7. Mej Elisabeth Raedts, woonachtig te Luik.
Deze laatste was toch een verrassing, een ongehuwde vrouw die 20 frank voor het vaandel schonk, wetende dat we deze 20 frank kunnen vergelijken, in verband met verdiensten, met een half maandloon van een huidige arbeider ( anno 2010 ). Maria Elisabeth Raedts werd te Val-Meer geboren op 26 november 1861 als dochter van Paulus en Gertrudis Simons. Het gezin woonde in de Kleinstraat. Ook haar oudere ongehuwde zus, Catherina, en haar jongere zus, Gertrudis, in huwelijk met Arnold Meertens deden een gift. Bertrand Onclin, haar oom en oud vaandeldrager, en zijn kinderen Leonard en Marie Elisabeth deden ook een gift. Elisabeth Raedts liet er de volgende tekst bijschrijven: Ik was boos over die beesten die den drapeau stolen en verbrandden, waar Fall-Mheer zoo fier op mocht zijn.
De Boerengilde van Herderen liet volgende tekst publiceren bij hun gift: De Boerengilde van Herderen als blijk van erkentenis aan den zoo verdienstelijke heer pastoor van Fall-Mheer, voor de goede inlichtingen gegeven tot het oprichten onzer melkerij en veeverzekering. Heel wat giften verwijzen naar pastoor Aerts.

Enkele Val-Merenaren schonken 10 frank : Jozef Monard ( vaandeldrager ), Hugo Heynen, Egbert Meers en Pierre Pirard. Eenendertig Val-Merenaren gaven 5 frank waaronder:
- De gebroeders Lambert, Hubert,Philippe en Emile Beusen. Evenals Paulinus Beusen, zoon van hun overleden broer Jan Joseph.
- Gerard, Willem en Thomas Vossen
- Jean en Evrard Monard en Wwe Monard.
- Arnold Willems, Louis Reynaerts, Henry Rosias, Philippe Hermans, …..

Op zondag 4 december 's nachts was er in een herberg een vechtpartij, Het Algemeen Belang publiceerde het volgende: Verleden zondag 's nachts heeft eene vechtpartij plaats gehad. Altijd af te keuren. Maar waarom ook blijven de herbergen zoo laat open? Waarom wordt er geen politie gehouden? Wij bekennen met genoegen dat men nu wat vlijtiger wordt in zake van onderzoek. Toen het vaandel gestolen en verbrand werd wist het hoofd der gemeente er nog niets van na drie dagen ( zoo ten minste verklaarde hij ) en nu na een vechtpartij was hij reeds 's morgens vroeg ter plaatse. Hoe mag dat toch komen? Alle goede burgers verlangen dat die feiten eerder moeten voorkomen worden dan bestatigd.

Eind december verscheen er nog volgend bericht: Den 2den kerstdag 's nachts hebben weer eenige belhamels getoond wat zij zijn. Zij hebben de ruiten ingeworpen op de pastorij en in het klooster. Een vreemde Pater die dienstdoende was in de parochie werd 's nachts ten 12 ure eensklaps wakker geschud, verschrikt meende hij drie geweerschoten te hooren. Jammer dat de Eerwaarde met zulk slecht gedacht over Fall-Mheer is moeten vertrekken " het ziet hier niet pluis uit " moest hij bij zijn vertrekken zeggen. Jammer dat de goede parochie Fall-Mheer zulken slechten naam krijgt, alleenlijk omdat er eenige deugnieten loopen die tot alles in staat zijn. Jammer dat er zooveel politie is in de gemeente, als in de bosschen der onbeschaafde Zoulou's en dat men dus vrij mag stelen, branden en ruiten uitwerpen.

Enkele giften met berichten na deze incidenten:
- Onbekend: 5 frank. Waarom laat men deze brave zusterkens niet gerust? Wat hebben die nu weer gedaan?
- Henri Monard : 5 frank. Priesters bestrijden, 't Volk misleiden, Zijn dat manieren om goed te bestieren.
- Hendrik Vancom, secretaris van de Boerengilde, : 5 frank. Niets voert zoo ras tot ondergang . Dan 't slecht voorbeeld van hoogerhand.
- Onbekend: 5 frank. Opdat de pastoor nieuwe ruiten kunne krijgen en zijn kiekenkot opmaken.
- Onbekend: 1,50 frank. Opdat de brandstichters van het kiekenkot van den pastoor geen indigestie krijgen van de rotte nesteieren die zij meegenomen hebben.
- M. Jackers en zonen, woonden tegenover het klooster, : 5 frank. Weg met de brandstichters en ruitenbrekers! Leve de eerlijkheid.
- Een inwoner van Angleur: 5 frank. Voor het nieuwe vaandel der Koorsocieteit. Ter eere van St-Antonius, opdat de eendracht en de vrede de wanorde in de gemeente Fall-Mheer vervange. Het komplot der kleine geuzen zal zich een dag die laagheden berouwen. Eer aan de goeden en verknochten herder der parochie, voor al de goede werken die hij tot stand bracht; hij werkt werkelijk voor het welzijn zijner parochianen.


Nog enkele giften met berichten:
- Een weduwe: 4 frank. Opdat mijne kinderen braaf blijven en niet gelijken op die ongelukkige schelmen.
- Onbekend uit Rukkelingen: 2,50 frank. Opdat de burgemeester met de meeste nauwkeurigheid zijn plicht nakome om de daders van inbraak en diefstal te Fall-Mheer te ontdekken.

Op 21 januari werd de onderschrijving afgesloten met een bedrag van 783,90 frank.
Het bestuur van het Zankoor "Ste-Cecilia" drukt zijnen innigen dank uit bij het sluiten der onderschrijving, door bemiddeling van het Algemeen Belang. Dank aan onzen waarden vriend M.Theelen, die de onderschrijving geopend en zoo warm heeft aangevolen! Dank aan die talrijke goede vrienden uit Tongeren en omstreken, uit waalsche, vlaamsche en zelfs uitlandsche streken! Dank, ja innigen dank aan de dappere en vrijgevige geestelijkheid! Dank ook aan onze vrome medeburgers van Fall-Mheer, die bijna eenparig, hetzij openlijk, hetzij naamloos, zoo edelmoedig hebben bijgedragen aan den aankoop van een nieuw vaandel en alzoo de vlek hebben helpen uitwisschen die sommige deugnieten, voor alles in staat, op den goeden ouden naam van Fall-Mheer hebben willen werpen! Aan allen dank, ja duizend maal dank!
Namens het bestuur.

We merken op dat buiten Arnold Lenaerts niemand van het gemeentebestuur een gift deed op naam. Eveneens de voorzitter, secretaris en schatbewaarder van De Vrije Burgers gaven geen gift op naam. We hadden twee partijen, enerzijds een groot gedeelte van het gemeentebestuur met De Vrije Burgers en anderzijds pastoor Aerts met De Boerengilde en het St-Cecilia zangkoor.

Inhuldiging van het vaandel
Op Zondag 8 oktober 1899 werd het nieuwe vaandel ingehuldigd. Nic. Theelen schreef de redevoering "De Vaandelgroet". We geven het integraal weer.

Eerwaarde Heeren , Mijnheeren.
Wij groeten u o vaandel!
O Vaandel van het mannenkoor van Fall-Mheer.
Wij groeten u als het zinnebeeld der kunst; - der kunst hier aan den oorsprong zelven der kunst toegewijd.
Wij groeten in u als de ziele, der schoone sociëteit St Cecilia van Fall-Mheer.
Fier en toch zoet ontzwachtelen zich thans voor onze oogen uw rijke plooien.
In u verlustigen zich onze blikken, als eens die van den profeet in de azuren toekomst voor zijnen geest opdagende.
Gij zijt voor ons een teeken van eendracht, een land onzer broederlijkheid, onze vreugde in het heden, ons vertrouwen in de toekomst.
Daarom groeten we u.
Wij groeten u met dien groot dien eens het leger van Jozüe bracht aan de zon toen zij op zijn bevel hoog aan den hemel bleef om het te beschermen;
Wij groeten u met den groet dien de Israëlieten in het land der verbanning brachten aan het koperen Serpent der verlossing, dat slechts een oogslag wilde om te genezen van den vergiftigden beet der adders;
Wij groeten u met den groet der wijzen aan de sterre die hen door het geloof zou brengen naar de goddelijke geboorte;
Wij groeten u als den dageraad van een nieuwen dag vol licht.
Gij glimt ons tegen met uwe verrijzende Cecilia, - als het kruis in den hemel, toen den grooten Keizer Constantinus een goddelijke stem toeriep: - In hoc signo vinces! - door dit teeken zult gij overwinnen.
Zoo innig, zoo vurig, zoo vol hoop, zoo vol geloof, zoo vol liefde, groeten wij u, - o nieuw - o verrezen - o prachtig vaandel van Fall-Mheer.
Er is, mijnheeren, iets heiligs in een vaandel dat wappert boven een leger, in een vaandel dat glooit boven eene maatschppij; iets dat tot u spreekt van zelfopoffering, van moed, van toewijding.
Het vaandel immers was door alle eeuwen heen, als een teeken van vereeniging, als een zinnebeeld van verbond, als een belofte van kracht, als een sein van bijeenkomst en gezamelijke oprukking.
De oudste volkeren in de grijze oudheid hadden reeds hunne vaandels en zij vereerden ze.
In het oude testament, - vindt men, dat elke der stammen van Israël reeds zulk een teeken van vereeniging had; elke had eene kleur, een symbolisch figuur dat haar eigen was. De Egyptenaren op hunne slagvelden droegen voorop de zinnebeelden hunne prinsen, om hunnen moed aan te vuren.
De oude Grieken hadden reeds wezenlijke vaandels waarop de letters prijkten als zinnespreuken, om de hoedanigheden eigen aan hun ras, te verheerlijken en hen alzoo tot onversaagdheid op te beuren.
De oude Romeinen droegen voor hunne gelederen standaarden en banieren waarop beurtelings een arend, een wolf, of een minotaure waren afgebeeld, met welke zij tegen den vijand inrukten en die zij tegen hem verdedigden als- of zij een godheid die hen beschermde te verdedigen hadden.
En al de volkeren, van de oudste tijden tot nu, hadden voor hun vaandel eerbied, gehechtheid, liefde, opoffering,zelfverloochening.
De Zeer Eerw. Heer deken van Vlijtingen komt in uwe schoone kerk, het goddelijk woord der zegening, over uw vaandel uit spreken; - welnu, - dit schoone gebruik dagtekent ook niet van heden.
Reeds onder den oosterschen Keizer Leo VI in de IXe eeuw, werden de vaandels door de geestelijkheid gezegend. Zij werden met alle plechtigheid in de voornaamste kerk der hoofdstad gebracht, daar, in de tegenwoordigheid van heel het regiment in feestgewaad, op het altaar gelegd, en, met de schoonste kerkelijke ceremonieën door den biscchop ingezegend.
De eed van getrouwheid aan het vaandel, dagtekent reeds van de eerste tijden der oudheid, en even als een eed op de heilige boeken, was hij ook een heilige eed.
O! wat al heldenfeiten heeft die getrouwheid niet neergeschreven met gouden letters in de boeken der geschiedenis der volkeren! Welke grootsche daden van wonderbare krachtdadigheid, van mannenmoed, van onversaagdheid heeft zij niet doen plegen.
Wanneer op een leger het lood regent, wanneer de dood door de rangen spookt, waneer de manschappen er worden weggemaaid als de rijpe korenaren op het veld, - wanneer de rijen gruwelend dunnen en de leenden er zich nog bewegen als spoken boven de dooden en tusschen de stervenden, - en wanneer dan de vaandeldrager ook den slag heeft ontvangen die zijne lippen doet verbleeken onder den kus der dood, - dan is zijn laatste oogslag eene smeeking, een stom gebed naar de makkers gestuurd die achter hem opdagen, een roep om hulp, niet voor hem, maar voor het vaandel dat hem is toevertrouwd, - en - al daveren ook luider de metalen monden der vernieling, een makker noemt het uit zijn verkillende vuist, vult zijnen post in, en hij zwaait het als eene uitdaging naar den vijand, en tevens als een oproep tot den moed zijner medestrijders voor het heilige vaderland.
Wanneer het leger zwicht, wanneer de strijders moe van de slagen, ontzenuwd door de overmacht, bloedende aan zoovele wonden, aangedaan door den dood van zoovelen hunner makkers, zich beginnen machteloos te denken tegen over den vijand, en zwichten, en, achteruitdeinzen, - hoe vaak gebeurde het niet, dat dan de onversaagde bevelhebber naar het front van zijn leger vloog, het vaandel ontrukte aan de vuist die het omklemde, en het wierp, als een nieuwe uittarting van moed in de voorste rijen van het vijandelijk leger.
En dan, dan vlamden de oogen opnieuw, een kreet van razernij steeg uit de moe zwoegende borsten, de wonden waren vergeten, vergeten, was de afgematheid der spieren, vergeten de dorst die de ingewanden verteerde, vergeten de vrees die de hoopen lijken der makkers konden inboezemen, en 't staal knarste tegen 't staal, en de borst stond weer hijgend tegen de hijgende borst, nieuwe slagen dreunden, uit nieuwe wonden gutste het bloed, - maar het vaandel was daar dat alles deed vergeten, buiten het brandend verlangen om het weer terug in het bezit te krijgen: - en op zijne beurt zwichtte de vijand en de begonnen nederlaag was eene overwinning geworden.
Eene eeuw is vervlogen, sedert de heide onzer Kempen, de weelderige bodem van ons Vlaanderen, en de dauwrijke akkers van ons Hageland den Oorlogskreet weerkaatsten onzer boeren: " Voor God en Vaderland".
De moed was hun eenige krijgskunst, de vrijheidsliefde hunne wapenrusting , hun vaandel was eenvoudig als hun geloof: het roode kruis op een witte veld.
Dat vaandel zwaaide en sloeg, bij elk legioen voorop, in alle strijden, in Herentals en in Diest, in Molle en in Hasselt. Rond zijn wapperend doek gudste het bloed met stroomen; het zij dat het vooruitsprong in de diepste gelederen van de vijanden, hetzij dat deze storm liepen en eene bres sloegen in de rijen der helden van de blauwe kiel.
Bij de verraderlijke slachting te Hasselt, aan de Linde, had een vaandeldrager der patriottenmoedig gestreden, zoolang er bloed in zijne aderen was en adem in zijne longen, - hij stond nog pal op een hoop lijken, geleund op de vaandelstok, het oog naar den vijand die hem omsingelde.
Hij voelde de dood zijn hart verkillen, zijn oog zocht maar vond geenen makker meer om hem het vaandel der boeren over te reike, - en toen - in een laatste krachtinspanning rukt hij de witte vlag, zoo rood van het bloed en van het kruis, van den stok af, hij wentelt ze om zijn lichaam, en zoo zakt hij ineen op de lijken; zijn vaandel was doodskleed: oh! welk grootsch praalbed voor een held!
Het gebeurde in een der reusachtige zeeslagen die onze noorderbroeders leverden onder admiraal Tromp. Na het vernielend schroot had een hollandsch schip tegen het admiraalschip van den vijand stormgevaren, en had met haken zich tegen zijn wanden vastgelegd. Als razenden was de bemanning op het vijandig dek gesprongen. Daar was een strijd begonnen met het bijl, lijf tegen lijf, een strijd op leven of dood. De vijand was machtiger, door het getal, en hij vocht thuis. De Nederlanders zagen zich genootzaakt het admiraalschip dat zij reeds hunne prooi waanden, te verlaten. - Maar een hunner, een jong matroos, kreeg de vijandelijk vlag in het oog, die op het admiraalschip naar den wind sloeg.
Hij dringt tot aan den voet van de mast, en het bijl in de tanden klimt hij naar boven. Weldra is hij daar. Een kreet van woede weerdreunt, beantwoord door een kreet van triomf. De musketten spuwen lood rond hem, maar zijn bijl hakt het vaandel los, hij rolt het tot een pak en werpt het naar zijn eigen dek.
Dat vuurt den moed der zijnen aan, dat slaat den vijand ter neer in zijn gemoeid: De strijd herbegint met razernij en het schip wordt gekaapt.
De jonge matroos wordt de held van dien zeeslag, zijn naam wordt gezongen door de dichters van het vaderland, hij vordert snel rang, wordt bevelhebber op zijne beurt, en in gouden letteren staat zijn naam in het boek der geschiedenis.
Hier ook in Fall-Mheer viel een vaandel in vijandige handen, een vaandel over een kwart eeuw door de parochie aan Ste-Cecilia geschonken, en juist door een zendeling van den bisschop plechtig gewijd.
Maar…..
Het viel niet door 't geweld in brandende oorlogswoede, Het viel niet door een slag van 's hemels geeselroede, Het werd geroofd, brutaal geroofd, niet door den helden moed, maar 's nachts toen de verdedigers sliepen, werd het gestolen, met de omzichtigheid der nachtdieven die een huis binnen dringen.
Het werd ook niet bewaard en roemrijk tentoongesteld als het bewijs eener heldendaad door den vijand gepleegd, neen, het werd gesleurd in een hol, en daar gescheurd en verbrand opdat niets de daders zou kunnen doen verraden.
Hun naam werd niet uitgebazuind als de namen van helden: - neen! Zij moesten ontkennen met zoo laffe als plechtige leugens.
Het gold hier immers geene heldendaad, maar een schurkenstreek; geene verovering, maar een diefstal.
Ongelukkigen wat was uwe verblindheid groot!
Uw werk was een laffe daad en het keerde tegen u zelven.
Het vaandel dat gij hebt verbrand daar is het: het is verrezen uit de asschen, schooner, reiner, glansrijker dan ooit. Het prijkt terug in het lokaal waar gij het rooven kwaamt, bewonderd, bemind en vereerd.
Het vuur dat uw haat ontstak, is er alleen in gelukt het te louteren, even als de smeltkroes het goud.
Ja rein en vlekkeloos prijkt het daar, verrezen glorierijk verrezen: - en onder zijne schaduw zullen de mannen van Cecilia niets te betreuren hebben, dan wel de eer van hun geboortedorp die door die euveldaad bevlekt wierd; en fier over hun vaandel, zullen zij strijden onder zijne plooien, den strijd voor de kunst, den strijd voor God.
Ik zegde u zoeven, aan vaandel dat is een zinnebeeld.
Laten wij samen nagaan wat er te lezen staat in de kunstig bewerkte zijde van het nieuwe vaandel van Fall-Mheer.
Daar prijken de jaargetallen 1875 en 1898.
In 1875 werd aan Ste-Cecilia een vaandel geschonken, in 1898 werd het haar ontroofd en verbrand.
Links langs de stok, op de eere plaats, zweeft uit het donker des grafs een zilver reine, verrijzende Ste-Cecilia. De wonde aan den hals is nog rood van het bloed. Hare lier prijkt aan haar voet. De koorden die zij aansloeg ter eere der godheid zijn gouden koorden geworden. Zij zweeft daar zegevierend over den dood, zegevierend over het geweld harer moordenaars. Zoo ook uw vaandel zelf. In de hoek rechts, op een vlammende bussel, ontplooit een vogel zijne vlerken. Het is de " fenix " de vogel der ontsterfelijkheid in de oudheid. Wanneer hij zich nederstrekte op het brandende hout, verteerden hem de vlammen wel, maar hij stond weer op uit de gloeiende asschen, om een nieuw leven te beginnen. Zoo ook nog uw vaandel.
De grond van het vaandel is goud geel. Het goud is een zuiver metaal. Het is zonder mengeling. Daarom verbeeldt het de deugd. En het is de deugd ook die den grond uwer maatschappij uitmaken moet.
Wit zijn de stralen die van uit de Ste-Cecilia door de zijde henen wiegelen, wit ook de letters die den naam uwer vereeniging vorme, omdat uw vaandel thans door het vuur gereinigd, blank is, blank als die schoone leliën, welke langs de stok, uit een dichten bussel slingeren uwe patronesse ter eere. Helder wit en blank is immers ook uw lief dorp van Fall-Mheer, wiens leliekleurige huizen zoo rein afsteken op het donker van het groen, op het goud of het vaal uwer akkers.
De hoofdkleuren van het tafereel dat de naald op die weelderige zijde heeft gebracht, dat zijn de kleuren van den Vader der geloovigen, de witte en geele kleuren der kerk van dewelke uwe vereeniging fier is, zich een kind, een trouw en liefderijk kind te noemen.
In uw vaandel ziet gij tevens de belgische driekleur: het zwart, het geel en het rood, de kleuren van het vaderland. Immers de vaderlandsliefde troont in de harten der Cecilianen van Fall-Mheer. Indien ooit het uur van het gevaar voor de vrijheid van het land moest slaan, dan even als de Boeren van Transvaal voor de onafhankelijkheid van hunnen grond, zullen hier de mannen van Fall-Mheer, hun vaandel voorop, den weg weten te wijzen aan al de mannen van den omtrek, den weg ten strijde voor de vrijheid van den dierbaren vadergrond.
Een leider rozen rood omgeeft uw vaandel met een zoo rijken als zoeten boord. Die kleur is de uwe; - Zij is niet het bloed van den haat die het socialisme als zijn kleur heeft gekozen, - 't is de kleur der liefde, der naastenliefde die uwe harten kloppen doet voor alle goede werken, voor de edele liefdadigheid. 't Is het zacht gloorend rood van den opkomende dageraad, bij een schoonen glansrijken dag - het heilvolle morgenrood van een nieuwe eeuw voor de samenleving, die opdaagt tot veredeling, verheffing en verbetering van het lot des volks.
Dat is de taal die uw vaandel spreekt, - dat is zijn woord dat u den weg openbaart waar gij het dagen moet. Dat alles ligt verborgen in zijn plooien, - het berust ook in uwe harten. Uw vaandel is niet alleen schoon, het schoonste van gansch Limburg, het is edel. Het spreekt tot u, - als de taal der ziele die zich weerspiegelt op het gelaat eener reine maagd. Gij zult het dan ook lief hebben uw vaandel; gij zult er fier om zijn. De trouw aan uw vaandel zal uwe harten doen zwellen zoo dikwijls als uwe gedachte er zal op rusten. Even als Ste-Cecilia uwe patronesse hare kunst wijdde aan God, liever haar hoofd onder het zwaard legde dan aan haar geloof te verzaken, zult gij ook uwe heldere stemmen doen galmen langs de gewelven uwer kerk, en moest het ook, zelfs uw bloed veil hebben voor de eer van uw vaandel.
Het zal prijken als een sprekend zinnebeeld van zoete vreugde in de feesten die gij geven zult; zijne zoete kleuren zullen die feesten opsmukken even als de oranje bloesems de zoete bruid.
Wanneer de betoogingen der kunst, der liefdadigheid, der verbroedering, der menschenveredeling door het goede, u buiten Fall-Mheer zullen roepen, dan zal uw vaandel u voorop gaan in de vreemde. Gij zult gelukkig en fier achter zijne kleuren stappen en uw begeesterde blikken naar uw banier zullen allen zeggen en uwen trouw aan uwe Vereeniging - en uwe liefde en uwe opoffering voor al wat schoon is, goed en waar.
Wanneer d God der heirscharen, door de straten langs de blanke huizen van uw geliefd Fall-Mheer, onder het gelui uwer bronzen klokken en het gerinkel uwer zilveren bellen, in de walmen van de wierook zal gedragen worden, dan zult gij, als Zijne erewacht, uwen Schepper vooropgaan, en, even als de Cherubijnen rond zijnen troon zijnen hofzang aanheffen, zullen uwe zwellende borsten weergalmen ter zijne eere - terwijl uw vaandel schitterend onder de stralen der zon, zijne kleuren wiegelend in de wind, tot allen die knielen op den doortocht zal spreken van uwe liefde en uwe getrouwheid aan God.
En - mijnheeren, mijne vrienden, laat mij eindigen met een wensch, een wensch voor het heil van Fall-Mheer, voor den vrede in Fall-Mheer.
Moget gij dit vaandel, eens zegevierend doen wapperen na de storm, boven uw gemeentehuis, - als een gullen lach van blijde verlossing, als een hoopvolle straal in een glorievolle toekomst; - En - dan - moget gij, door uw trouw, door uwe opoffering, door uwe werk, de schoone zegepraal voor de vrede, aan uw geliefd Fall-Mheer hebben bekomen, - opdat iedereen weldra - onder de schaduw van uw vaandel, met klanken uit het hart, deze verzen van den dichter zinge:
Gezegend het land
Waar de moed bij de rede
Zijn standaarden plant!
Gezegend het land
Waar de weldoende vrede
De olijven kroon spant.
Mijnheer de Voorzitter, ik vertrouw u dit vaandel, in den naam van Fall-Mheer. - Ik vertrouw het u als een kostbaren schat, als een dierbaren pand, als een heiligen eend - Ik vertrouw het u rein en vlekkeloos - gelouterd door het vuur: - gij zult het bewaren rein en zonder vlek. Gij zult meer doen. Het schittert thans van het goud en van het zilver, het blinkt door den glans der kunst; - gij zult het nog meer versieren, - gij zult het versieren door de deugden , door de verdiensten uwer Vereeniging, door haren trouw en hare zelfopoffering voor het goede, door hare toewijding aan de kunst die haren oorsprong vindt in God, en ook naar dat ideale streven moet.
Even als uwe patrones alles veil had voor het geloof dat God in haar hart had gelegd, - zult gij geene zelfverloochening te groot achten voor het vaandel dat uw heden door Fall-Mheer wordt toevertrouwd.
En waar dan ook de rijke kleuren van het vaandel van Ste-Cecilia van Fall-Mheer zullen schitteren, - wij zullen nu gerust en met vertrouwen altoos kunnen zeggen: het glanst op den goede weg!


Bronnen:
- Het Algemeen Belang
- De Bilzenaar
- De Postrijder
- Redevoering van N. Theelen ( J.Jackers )
- Mondelinge informatie van A. Onclin ( J.Jackers )
- Archief gemeente Riemst
- Historische schets van Val-Meer van J.Jackers
- Met dank aan T.Dassy