Artikels, uit Het Algemeen Dagblad van 1898 en 99,  aangaande pastoor Aerts

 

Artikel van 14 mei 1898.

Men kent de of den gewelddaders nog niet, die verleden Zondag den kandidaat socialist M. Bergrmans, letterzetter te Koekelberg, langs den steenweg van Herderen naar Fall-Mheer, heeft geslagen. Volgens het gerucht dat rondgestrooid is, moet de Tongersche socialist het, bij de eerste bedreiging, op een schrikkelijk hard loopen door het veld hebben gezet. M. Bergmans had een eersten slag weten te ontwijken, maar kon in het loopen zijn gezel niet inhalen..

Een der vervolgers haalde hem in, en sloeg hem verschillige slagen op het hoofd, slagen die M. Bergmans gelukkig met de hand keerde.  Ik heb u toch niets misdaan! klaagde M. Bergmans.

 Ik had ook in 84 de Brusseleers niets misdaan, was het antwoord, en toch kreeg ik troef, honderd man tegen éénen.

M-.Bergmans werd toen vrijgelaten. Zeer erg moest hij toch niet gewond geweest zijn want volgens het openbaar rumoer, moet hij heel snel uit de voeten geweest zijn.

Wij zijn niet voor die tastbare argumenten. Mooier ware 't geweest M.Bergmans te Fall-Mheer te laten spreken voor een gansch ledige zaal.

 

Artikel van 3 december 1898, een reactie op een artikel in Vooruit.  

In nummer van Vooruit van 26 november lezen wij een artikel over Fall-Mheer, getiteld “ Klassengerecht “ waaruit wij deze onnauwkeurigheden knippen.

  1. Vooruit schrijft dat, toen gezel Bergmans in Mei ll. Aangevallen is geworden er slechts één enkele vervolgd werd en de anderen opgeroepen als getuigen.

Antw: Heeft gezel Bergmans niet bekend dat er hem slechts één slagen had toegebracht?  Heeft slechts een enkele steen den langen jas van gezel Bergmans, of de dikke broek van gezel hardloper van Tongeren geraakt?

  1. Vooruit schrijft dat de heer pastoor die slagen niet heeft afgekeurd, want hij heeft den dader benoemd als vaandeldrager der katholieke boerengilde.

Antw: De Heer pastoor heeft wel de toegebrachte slagen afgekeurd, maar heeft niet afgekeurd dat die jongens de gezellen wilden beletten met hunne valsche en slechte socialitische begrippen, eene katholieke bevolking te bedriegen. De Heer pastoor heeft niemand benoemd tot vaandeldrager, maar de twee vaandeldragers zijn met bijna eenparige stemmen gekozen geworden in algemeene vergadering waar de Pastoor maan één stem had juist gelijk de minste der leden.

  1. Vooruit schrijft nog “ Onze pastoor heeft dit vaandel in geschenk gegeven aan de gilde “.

Antw: Weeral mis; de gilde heeft een nieuw vaandel gekregen en het gestolene en verbrande vaandel was en zou gebleven zijn, het vaandel van het zangkoor der kerk.

  1. Vooruit klaagt dat het parket ter plaatse is geweest; mag dan het parket zijnen plicht niet vervullen als er kwestie is van stelen, inbreken, en verbranden van een vaandel van 600 frank waarde? Maar dat woord, verbranden, Vooruit, durft niet uit uw pen komen: het ligt u nog op de maag, dat twee uwer gezellen voor het verbranden van een vaandel tot drie maanden gevang veroordeeld werden. Gij eindigt met een spotnaam te werpen naar den Heer Pastoor, dien grooten vriend en weldoener des volks: welke ezelarij!

Wat doet het nu ter zake of hij ’n roode kabuis, of een kletskop heeft, of een moeleke of een kreupeling is? Hij is toch zeker niet van den kant der schelmen. Wij laten aan Vooruit de eer zulke mannen als partijgenooten en als korrespondenten te hebben.

 

Artikel gepubliceerd op zaterdag 22 juli 1899 aangaande de decoratie voor pastoor Aerts.

Onze beminde pastoor de wel eerw. Heer Aerts heeft de bijzondere decoratie ontvangen voor diensten bewezen aan de landbouw.

 

Gisterenavond kwam hij terug van Brussel. Aan de tramstatie kondigden de kanonnen met daverend geknal zijne aankomst aan heel het dorp. Meer dan honderd personen waren reeds daar en brachten hem in stoet in zijn parochie. Daar was het een ware geestdrift. Men wuifde met de zakdoeken, zwaaide met de hoeden, men juichte, en boven alles heen klonk steeds de kreet: Leve onze Pastoor!

Honderden verdrongen zich in het dorp om hem heen, van overal wenschte men hem geluk,  en boven al die geestdrift donderde onophoudend de machtige stem van het kanon die de vreugde van het dorp, over heel de omtrek kenbaar maakte. Een grootsche vergadering werd onverwachts belegd in het patronaat, en daar was het een toegejuich zonder einde. Schoone woorden werden hem toegesproken waarop hij antwoordde uit het harte, met de oogen vol tranen. Maar het volk stond nog in massa buiten het lokaal; hij moest tot voor de deur gaan staan om daar allen te groeten, allen te bedanken. En daar galmde boven heel Fall-Mheer een kreet van “ Leve onze pastoor! “ als uit ééne borst, door al die borsten aangeheven, zoo machtig, zoo indrukwekkend, dat niemand die er van getuige was, hem ooit kan vergeten. Tot laat in de avond duurde die vergadering, geestdriftig en gezellig, vroolijk en aanmoedigend. En wij ook roepen den verdienstelijken herder hier toe, die zooveel voor zijne parochianen heeft gedaan als het een mensch mogelijk is te doen. Leve de pastoor van Fall-Mheer!

 

Het feest van gisteren, schijnt niet te tellen. Dat onthaal was niet bereid; het heeft zoo maar onverhoeds plaats gehad. Daarme stellen zich zijne parochianen niet tevreden, zij bereiden voor Zondag eene feestviering in regel.

 

Artikel, aangaande de viering van pastoor Aerts, in Het Algemeen Dagblad van 29 juli 1899.

Enkele woorden ontbreken. Een ontbrekend  woord wordt door 3 vraagtekens vervangen, een gedeelte van een woord door 1 vraagteken.  

 

Zondag  ( 23 juli ) had het feest plaats dat we Zaterdag reeds mochten aankondigen. Nauwelijks was het lof uit of het kanon bulderde de vreugd van het dorp, dat het een lust was. Van 5 ure reeds stroomde het volk naar ’t lokaal van ’t patronaat. Niettegenstaande een ingericht tegenfeest was de zaal eivol. De voorzitter der boerengilde M. Lenaerts opende de vergadering: hij legde het doel bloot dezer in der haast gedane bijeenroeping van de parochie. Er diende hulde bewezen te worden aan de E.H.pastoor ter gelegenheid der decoratie die hij bekomen heeft om zijne verdiensten, niettegenstaande zoo verklaarde hij luid, het gemeentebestier gewerkt heeft opdat hij die decoratie niet zou bekomen. Hij somt in korte woorden al de weldaden op door de E.H. pastoor Aerts aan de gemeente en aan de parochie bewezen. Lang reeds, zegde hij, over 6 jaren wilden wij den E. Herder een bewijs geven onzer denkbaarheid voor het goede dat hij ons doet, maar telken male weer hij ons dit van de hand, en telkens kregen wij voor antwoord: “ Als men mij iets wil geven woor hetgeen ik ingericht heb in de parochie, dan trek ik mij dadelijk van alles terug “. Nu thans vrienden, is de gelegenheid gekozen.  Nu zullen wij den E.H. pasoor dwingen hier onze gevoelens van erkentelijkheid te aanvaarden. Wij moeten hem onze genegenheid toonen. Komt vrienden, wij zullen den held van het feest hier halen. Men ging naar de E.pastoor Aerts. Weinig later kwam deze de zaal binnen. Deze daverde van het handgeklap, van het stormend toegejuich.

M. Laurent Huls, trad vooruit, en met krachtige stem en geestdrift, sprak hij in dezer voege: Waarde gildebroeders en vrienden. Wij hebben onzer held thans in ons midden. Het is mij niet mogelijk niet in uw aller naam hem het warme woord van hulde en dank toe te sturen. Gij weet alleen wat onze beminde heer pastoor voor ons gedaan heeft, gij kent alle zijne inrichtingen, gij waardeert heel zijne opoffering voor ons geestelijk en stoffelijk welzijn. Zijn eenig doel is ons heil. Zijn eenig streven is ons welzijn; het welzijn van ons allen, naar ziel en naar lichaam. Het is zijn arbeid voor den landbouw die hem deze groote onderscheiding heeft doen bekomen. Niettegenstaande het tegenstreven, het openlijk tegenwerken, van hen, de ondankbaren die nochtans de eer en de voorspoed der gemeente moeten lief hebben, heeft Z.M. de koning hem deze onderscheiding gegund. Al dat werk tegen dat edelmoedige priesterkleed, naar het welke leugens en lasters zijn geworpen, dat is afgebotst op het harnas der verdiensten van onzen beminden herder. Hij, de priester Gods, zal met de kracht van hierboven en de hulp van ons allen de faam van Fall-Mheer weten te reddenen hoog te houden. Heden schittert in zilver op zijnen edele borst het eereteken der weldaden aan Fall-Mheer bewezen; dat zilver ontleent aan zijn hart den glans van het goud , meer nog, dien van het zuiverste diamant. Zijne faam gaat verder dan onze parochie; zin bereikt heel ons kanton, heel ons bisdom, zelfs België.

Deze versierde borst spreekt van de schoonste verdiensten, de edelmoedigste zelfopoffering. Daarom vrienden, vieren we hem; daarom zeggen wij hem luid al onzen eerbied, al onze denkbaarheid, daarom bidden wij God, dat Hij voor het geluk van Fall-Mheer hem ons nog lang ???

Leve onze pastoor!

E n heel de zaal herdreunt het leve onze pastoor!

Toen in naam van allen, schenkt hem M.Huls, een prachtigen bloemenkorf in kunstbloemen, die ’s anderdaags reeds voor het altaar van St-Antonius stond. Daarna werden hem deze lieve verzen voorgelezen:

            Zeer Eerwaarde Heer Pastoor,

 

            Wij juichen en …… niet zonder reden;

            Want onze Hooggeëerde Vorst,

            Hij hechtte thans, op ’t blijde heden,

            Een eereteeken op uw borst.

           

Ja, ’t is aan ’s konings oor gekomen,

            Hoe Ge U met moed en wijs beleid,

            Belang’loos zonder werk te schroomen,

Aan ’t heil der volks hebt toegewijd.

           

Geen wonder door uw krachtvol pogen

            Kwam hier de boerenbond tot stand

En wat zijn welzijn verhoogen,

Reikt gij onverpoosd de hand,

 

Een veeverzekering zag het leven,

Een molen en een melkerij.

Zij spreiden door uw ijverig streven,

’t Welvaren in de maatschappij.

 

Hoe menig kilo puike boter,

Wordt in die melkerij bereid,

Ja ’t aantal kilo’s wordt steeds grooter,

En toch de boter raakt men kwijt.

 

Men ziet dan ook met welbehagen,

De leden van den boerenbond,

De melk er daag’lijks henen dragen,

Reeds in den vroegen morgenstond.

 

En als de dag dan is verschenen,

Ter uitbetaling vastgesteld,

Dan worden meer dan men zou meenen,

Hun blanke Schijven voorgeteld.

 

Vreugd straalt dan op hun aangezichten.

En ’t klinkt de zaal zo hartlijk door,

Als zij zich blijde huis waarsrichten,

Heb dank, heb dank, Mijnheer Pastoor!

 

Wie zou dan niet vol geestdrift wenschen,

Dat U tot glorie van den Heer,

Tot voorspoed van zovele menschen,

Nog lang moogt werken in Fall-Mheer.

 

Werk dan nog lang, nog vele jaren,

Beschermd, gezegend door Gods Hand,

Blijf moed en kracht voortdurend paren

aan ’t heil des volks en ’t Vaderland.

 

???  moge uw arbeid alle dagen,

???  en heil der maatschappij,

In ruime maten vruchten dragen,

dat wenschen en dit hopen wij.

 

W.E.H Pastoor had tranen in de ogen, het waren tranen van aandoening van zijn edelhart. Bewogen bedankt hij allen, uit heel zijn gemoed. Hij herinnert den dag zijn plechtige inhuldiging, de belofte die hij toen had afgelegd van heel zich aan Fall-Mheer te willen wijden, en de wensch dien hij had uitgedrukt van zijn heel leven in Fall-Mheer te mogen verblijven. Die belofte heeft hij willen getrouw blijven, als een eerlijk man dit doen moet. Daarom heeft hij gedaan wat hij kon voor de verbetering, voor de versiering der kerk, voor de pastorij, voor de kapelanij, maar bijzonder voor zijn lieve parochianen. Voor dezen die bijna allen den landbouw zijn toegedaan, heeft hij vooral weten werken voor het welzijn van de landbouw, voor de veredeling van de boer en de verbetering van zijn lot. Twee jaren hebben we moeten ?ggen, omdat wij geen lokaal hadden, nu hebben wij er een, zoo schoon allen het ons benijden, nu gaan wij weer vooruit, altoos meer en meer vooruit voor uw allen welzijn, voor alle inwoners die mij allen aan het hart liggen. Sedert ik hier ben, heb ik voor Fall-Mheer geleefd, voor Fall-Mheer zal ik blijven leven, zoolang God het wil. Het dondert in de zaal, van het hand geklap.  ’t Is als het gebruisch der kanonnen.  Toen dit weer bedaard is, worden namens het St-Cecilia-koor deze schoone verzen afgelezen, en de held van het  ???  ?ngeboden :

            Zeer Eerwaarde Heer Pastoor,

           

            Wanneer de Boerenbond door uw volharden streven,

???  ijver voor Zijn bloei, U eenen gloriekrans,

            De vereeniging,   dankt U haar blij herleven,

            Door  uw zorg en vlijt, opnieuw haar ouden glans.

            ???  van den zang, die in het Huis des Heeren

            ???  der menschen vaak, naar ’t Rijk der Heem’len richt,

            plechtig uitgevoerd, de godsvrucht doet vermeeren,

            door uw Priester hart, een aller zoetste plicht.

            Dat  onz’ stem nog lang den lof des Heeren zingen,

            ???  en wij weer hoog ’t St-Cecilia koor,

            ???   ons op ’t huidig feest, de geestdrift niet bedwingen,

            Roepen wij vereend, het : Leve Heer Pastoor “.

 

W.E.H. pastoor antwoordt, en spreekt den lof der St-Cecilia vereeniging.  ??? zingt  eerst en vooral den lof van ??? zegt hij, en dat is hare plicht en verdiensten. Zij oefent de muziek, hare veredeling van den mensch, dat is haar roem en al wat edel en goed is, werd vervolgd. Den dag dat dit lokaal werd gezegend, werd ook haar vaandel gewijd. Dezelfde nacht zelf, werd hier, door enkele roovers dit vaandel gestolen en het werd verbrand. Het gerecht heeft hen niet kunnen straffen, maar toch onvermijdelijk is die straf. Men vernielt niet zo maar straffeloos gezegende voorwerpen uit louteren moedwil. Hun werk is reeds verijdeld. Uwe edelmoedigheid heeft reeds voor een ander vaandel gezorgd. Het zal schooner zijn en kunstiger, het zal edeler nog zijn, want het is verrezen uit de asschen. Dat vaandel, wij zullen het inhuldigen, en dan zult gij er u rond scharen, als rond een palladium dat aan Fall-Mheer zijne eer zal behouden en zijnen vollen vrede terug zal geven. En weer dreunde de zaal. Weer daverde het handgeklap. Weer steeg uit aller borst een geestdriftig en langdurig gejuich. Nog lang duurde het feest, en er werd op de gezondheid van den W.E. pastoor met overtuiging geklonken en gedronken.

 

Om kwart na middernacht werd er van uit een naburige weide een geweerschot op de pastorij gelost. De kogel, drong door de ruit, sloeg tegen den muur waar hij afschraapte om in een anderen muur nog een gat te boren. Wij hopen dat het gerecht dien misdadiger zal vinden en straffen.

 

 

 Artikel verschenen op 16 september 1899. Inhuldiging was op 13 september. 

De groote zaal van het Patronaat was Zondag  te klein, De parochie vereerde dien dag den W. E. Pastoor, ter gelegenheid zjjner decoratie, met een schoon groot portret, rijk ingelijst.

Men schat op drie honderd, de personen in de zaal aanwezig,  terwijl verschilligen nog buiten stonden. De Z. E. heer deken van Vlijtingen, zat deze schoone vergadering voor. Al de boerengilden van den omtrek, uit erkentenis voor den W. Eerw. Pastoor van Fall-Mheer, hadden afgevaardigden naar het feest gestuurd.

Toen bij binnentrad daverde de zaal van het geestdriftig toegejuich.

Daarna nam M. Lenaers deken der Boerengilde het woord: Mjjnheeren en vrienden, zegde hij, gij weet het, onze E.W. H. Pastoor is gedecoreerd. Bij die gelegenheid hebben wij besloten hem zijn portret aan te bieden. Onze gift is gering bij de verdiensten van onzen held. Von onzen held ja, want zijne dekoratie heeft meer waarde dan die van een generaal op het slag veld. Deze weet wat eer hem wacht en zjin strijd is kort. De strijd van onzen held is een strijd van alle dagen, en ondankbaarheid slechts is dikwjjls  zjjne  belooning.

Nauwelijks hier aangekomen stichtte hij de Boerengilde, en deed al wat hij kan om ze staande en bloeiend te houden. Wat al moeite en meer heeft hem onze gilde niet gekost en welke voordeelen heeft zij ons niet gegeven. Een jaar er na, want bij rust nooit onze pastoor, stichtte hij onze melkerij en dat zonder medehulp bijna, tegen veler mistrouwen in. Wij weten nochtans wat een werk en welke opofferingen daarmee gepaard gingen. De gemeente overheidzelve die hem had moeten steunen in het belang der inwoners, die er reeds zooveel duizenden frank bij wonnen, werkte tegen.  Weinig daarna sticht hij hier de veeverzekering. Dat zij spreken, die er de voordeelen van genoten ! Hun geluk is zijn lof.

Is het dan te verwonderen dat de minister ben gedecoreerd heeft? Neen, zijne verdiensten pleitten toch zoo schitterend voor hem. Wat echter iedereen verbaast, dat is, toen hier in de gilde ter inlichting het schriftelijk bewijs aankwam, dat de gemeenteoverheid wel verre van die decoratie te vragen, den minister wilde aanzetten ze hem niet te vergunnen. Zulke ondankbaarheid zal men te Brussel evenmin hebben begrepen als hier. In den naam der gildebroeders W.E. Heer pastoor, in den naam van alle voorstanders der goede zaak, in den naam van hen allen die de priesters achten en beminnen, bied ik dit portret aan.

Onze gift is gering in evenredigheid uwer verdiensten, maar wij weten heel goed dat onze goede inzichten, dat de gevoelens onzer harten bij u vooraan worden in rekening gehouden.

Wij beloven u hier plechtig u altijd te ondersteunen in uwe goede werken, uwen persoon steeds te aanzien als den plaatsbekleeder van uw goddelijken Zender, en u getrouw te blijven, altoos!

(Een daverend hoezee en stormend handgeklap bëantwoordt deze schoone redevoering).

Daarna trad de jonge student M. Hubert Hamers vooruit en las dit lief gedicht door hem vervaardigd:

Zeer eerwaarde Heer Pastoor,

 

Vreugdevol klopt ieders harte

Bij bet naadren van dit feest.

Blijdschap enkel, geene smarte,

Men op aller aanzicht leest.

 

Op uw borst moest 't eerkruis gloren, .

Van den Vorst van Belgenland ;

Voor het wel door u beschoren

Aan den schoonen boerenstand.

 

Schitter dan, o eereteeken,

Blaak glazuur in zilvren kruis

Nimmer zal uw glans verbleeken.

Aan zijn hart behoort gij thuis.

 

Gouden Waarheid, gulden vrijheid.

Na bestormd in 't worstelperk,

Roepen tot u vol van vrijheid,

Als tot haar gezworen klerk.

 

Trots de huidige onweersvlagen,

Blijft ge pal en welgemoed,

Zachter tijden zien we dagen,

Die elk reeds vol hoop begroet.

 

Werk steeds voort aan 't heil der menschen,

Vol van moed en dapperheid,

Schoon er wellicht zouden wenschen,

Dat gij sneefdet in den strijd.

 

't Trouwe volk door dank gedreven,

Bood u deze beeltenis.

Welke U immer zoude geven,

Blijk van zijn erkentenis.

 

Dank, Eerwaarde, duizendmalen,

voor de gift van uw portret,

t Wordt voorwaar in onze zalen

Op een eereplaats gezet.

 

Luidruchtig werd het lezen deze verzen toegejuicht.

 

M. MENSING, onderwijzer te Sassen, treedt daarna vooruit en zegt:

Zeer Eerw.Eeer Deken, Eerw.Heeren, Mijne Heeren,

Evenals de E.H. Mellaerts de vader van den Boerenbond van België genoemd

wordt, zoo kunnen wij ook,met volle recht, den E.H. Pastoor van Fall-Mheer den vader noemen der Boerengilden onzer streken. Inderdaad, hij is het, die hier te Fall-Mheer de eerste Boerengilde van den omtrek oprichtte. Doch, niet tevreden van zjjne parochie met deze nuttige inrichting begiftigd te hebben, zoo begaf hij zich naar de omliggende dorpen om daar insgelijks te toonen dat het door de samenwerking alleen is dat de Boeren uit hunnen neteligen toestand kunnen getrokken worden. Weldra dan ook zag men in bijna alle omliggende dorpen Boerengilden tot stand komen. De E. H. Aerts richtte ook in den schoot  zijner Gilde de eerste samenwerkende melkerij op. Door zijn toedoen zag men alras zulke nuttige

instellingen tot stand komen te Millen, te Herderen, te Sussen, te Sichen, te Genoels-Elderen,  te Vlijtingen, te Kesselt, te Vroenhoven, te Mal en zelfs te Hermée in de provincie Luik. Insgelijks begiftigde hij zijne Gilde met eenen vuurmolen, alwaar de Gildebroeders van Fall-Mheer en der omstreken aan een en zeer billijken prijs hun graan kunnen gemalen krijgen.

En de onderlinge veeverzekeringen?

Is het ook niet aan den onvermoeibaren Heer Pastoor van Fall-Mheer dat wij deze allernuttigste instellingen te danken hebben ? Kwam vroeger het ongeluk eenen  armen landbouwer bezoeken, dan moest hij, om zijn verlies te kunnen herstellen, zich de grootste ontberingen getroosten, soms zelfs moest hij den bedelzak opnemen en van dorp tot dorp rondgaan om aan een ander dier te kunnen geraken. Is hij thans bij de veeverzekering aangesloten, dan kan hij, mits maandelijks eenige centiemen te betalen, gerust op zijne twee ooren slapen, want komt hem een dier te vallen, zoo bekomt hij dadelijk de twee derden der waarde terug en kan hij zich, met alle gemak een ander beest aanschaffen.

Ziedaar, Mijne heeren, in korte woorden, hetgeen wij aan den E. H. pastoor van Fall-Mheer te danken hebben, en 't is dan ook niet zonder reden dat het staatsbestuur hem de decoratie heeft toegekend. Nooit zag men een eereteeken prijken op eene edelerr borst ; nooit was er eene belooning meer verdiend ! En 't is daarom ook dat wij er aan gehouden hebben ons heden met de Gildebroeders van Fall-Mheer te vereenigen en op deze schoone vergadering aanwezig te zijn, om hem onzen dank, onzen eerbied en onze liefde te betuigen.

Leve dus nog lange jaren de E. H. Pastoor van Fall-Mheer.

Een algemeen handgeklap is het antwoord van het opgetogen publiek.

Daarna kwamen wij insgelijks aan den Eerw. Heer Pastoor onze hulde brengen, en de redenen aantoonen welke Fall-Mheer heeft om zijnen pastoor te ??? en lief te hebben.

Dat ons gevoelen gedeeld was, dat bewees de in geesdrift onstoken zaal die door onze woorden toe te juichen hulde bracht aan den verdienstvollen Herder, en bewees hoe zeer allen daar tegenwoordig hem eeren,en hoe trouw zij hem in hun hart dragen.

De wel eerw. Heer pastoor bewogen, nam op zijne beurt het woord :

Eerw. Heer Deken, goede vrienden,

Uwe woorden ontroeren mij. Ik heb al die hulde zeker niet verdiend.

Zij is mij aangenaam, omdat zij gegeven is aan uwen pastoor, die niets beter verlangt dan zich op te offeren aan uw geestelijk en stoffelijk welzijn. Ik dank hier van harte mijn goeden medewerker M. Lenaers, die zoo uit het hart weet te spreken, M. Huls, M.Savenay, M. Vancom,maar ik zou ze allen moeten noemen en 't ware te lang.

M. Lenaers geeft mij zooveel lof, en hij heeft zooveel lof verdiend. Hij is niet achter gebleven wanneer ’t het geluk gold van Fall-Mheer. In de dagen van mismoed heeft hij opgebeurd. Hij is een weldoener voor Fall-Mheer, en allen moeten hem erkentelijk blijven. Wat M. Lenaers gezegd heeft van de tegenkanting der gemeentelijkeoverheid  heeft mij zeker bedroefd. Ik heb nooit iemand tegengewerkt als persoon, ik heb nooit beter verlangd dan hand in hand te gaan met de gemeente-

overheid, maar indien ik 't stoffelijk welzijn van Fall Mheer verlang, ook voor het geestelijk welzijn van Fall-Mheer moet ik zorgen en hoog houden, en zal dit altoos doen.

Indien ik in het verdedigen der rechten, der kerk niet altoos ’t akkoord was met de gemeenteoverheid, dat is dit alleen omdat mijn plicht het mij belette. Toen er kiezing was heb ik mij er niet mee ingelaten. Ik verlangde nochtans de boerengilde door een lid in den raad te doen vertegenwoordigen. Men heeft me tegengewerkt. Altoos zocht ik éénheid in de werking. Ik heb mij nooit bemoeid noch met uw werken noch met uw wegen. Ik heb nooit iemand eenen dienst geweigerd. Toen ik voor Fall-Mheer het belang van de Boerengilde heb begrepen, heb ik ze helpen stichten ; voor uw welzijn alleen,  stichtte ik eene melkerij, een veeverzekering, eene molen.

Dat ze tegengewerkt hebben, werkten ??? tegen het nadeel van vele menschen, en dezer intresten die ik wel ter harte nemen.

Mr. Lucas, de vertegenwoordiger van Mgr. heeft over eenige dagen nog te Vlijtingen gezegd: Die tegen zijnen pastoor opstaat, is vijandig aan God en de kerk.

Waarom zijne uwe woorden mij zoo aangenaam, omdat zij mij het bewijs geven dat de achting die gij uwen herder gunt, hooger gaat dan hem, en dat altoos te zamen in éénen geest ???  werken voor God en voor de Kerk.

Dit geschenk neem ik erkentelijk aan, niet omdat ik het verdiend heb maar als eene eer die gij uit liefde voor den godsdienst, bewijst aan het priesterkleed.

Bij mijn blijde intrede zegde ik u:  Ik gevoel mij hier toch zoo thuis en wil hier thuis blijven. Ben ik ook al soms eens ontmoedigd geweest, feesten gelijk dit vergelden alles, en zijn tevens een spoorslag om nog meer te werken. Wij hebben nu een lokaal, wij kunnen nu voortwerken en wij zullen voortwerken.

Ik begin met u te verklaren, dat ik mij in October reeds ieverig zal bezighouden met het oprichten van een Ouderlingen Bijstand, om aan alle brave werklieden een pensioen te verzekeren wanneer zij niet meer zullen kunnen werken.

Ik breng hier ook hulde aan de vrienden van den omtrek zoo goed hier vertegenwoordigd, aan M. Mensing, secretaris van den boerenbond, aan M.Hamers voor zijne lieve verzen, aan de burgemeester van Herderen, aan M.Verjans ons zoo ieverig provinciaal raadslid die altijd bij zijne boeren is, aan M. Laurent Nicolaï nu ons medelid niet meer maar de verspreider onzer werken in Tongeren, en aan zooveel

anderen die ik niet allen noemen kan. Op onze beurt bracht ons M. pastoor hulde, en bedankte ons om onze bewijzen van vriendschap aan Fall Mheer. Hij eindigde met den lot van den Z.E. Heer deken van Vlijtingen, altoos zoo ieverig,zoo krachtig aan het werk. Hij is de wakkere ondersteuner van al de gilden van zijn dekanaat, en de

bloei van onzen Boerenbond is zijn werk. Ik bedank hem voor de eer zijner tegenwoordigheid en verzeker hem van al mijnen eerbied, en mijne verknochtheid.

(Een geestdriftig handgeklap en toegejuich dreunde langs de wanden der zaal en dreigde geen einde te zullen nemen )

De Zeer eerw. Heer STORDEUR, deken van Vlijtingen, nam toen het woord :

Mijnheeren,

Ik ben hier gekomen uit plicht. Wanneer een parochie in ons dekanaat eenen

pastoor heeft als Fall-Mheer er eenen heeft, dan kunnen wij onmogelijk nalaten hem een bewijs te gaan geven van de achting die wij hem toedragen.

(Bravo)

M. Theelen heeft straks gezegd dat de Boerenbond van het dekanaat Vlijtingen

aan de spits staat der boerenbonden van Limburg;  indien dit waar is,  laat mij het u zeggen, wij hebben het te danken aan den iever, aan het werk van den pastoor van

Fall-Mheer. Hij heeft aan allen het voorbeeld gegeven. Met vertrouwen en volharding heeft hij hier gewerkt, en bij ons allen het goed zaad van zijn woord komen strooien, na ons in zijne parochie het voorbeeld te hebben gegeven. Ook ben ik hier, om hen voor allen te zeggen, welke achting ik door hem heb.

Oorverdoovende en langdurige toejuichingen barsten los.

De W. E. Heer Pastoor antwoordt nog eenige woorden uit het harte, waarna een echt vriendenfeest begint dat in gulle vroolijkheid voortduurde, tot de avond reeds lang gevallen was.

 

 

Laurent Huls, voorzitter van de Boerengilde, was de schoonbroer van burgemeester, Lambert Jozef Onclin. Onclin was met een Huls getrouwd, na de dood van zijn eerste vrouw hertrouwde hij met haar zus. De vrouw van Laurent was Maria Ida Vandenbosch, een nicht van Onclin.