Pastoor Aerts gedecoreerd

Jos Leben

In 1890 mochten de Val-Merenaren hun nieuwe pastoor, Willem Aerts, verwelkomen. Hij was geboren te Maaseik op 24 maart 1855 en dus 35 jaar bij zijn aanstelling. Hij was een zeer gedreven man en zou niet alleen voor het geestelijk welzijn van zijn parochianen zorgen maar ook voor hun stoffelijk welzijn.

De eerste grote actie van pastoor Aerts was de oprichting van een Boerengilde. Op woensdag 29 juni 1892 werd er een vergadering gehouden in het klooster met als doel het oprichten van een Boerengilde in Val-Meer. Meerdere sprekers uit het noorden van de provincie kwamen het nut van een Boerengilde uitleggen. Tegen eind juli had de Boerengilde van Val-Meer reeds 70 gildebroeders. Pastoor Aerts bleef niet stilzitten en op 12 maart 1893 werd er in de Jongensschool een demonstratie gehouden over machinale zuivelbereiding. Agnes Beusen werd naar Wevelgem gestuurd om de nodige opleiding te volgen. De eerste melkerij in Val-Meer was een feit. Deze melkerij was zeer bloeiend. Eind juni 1896 was het opgehaald kapitaal afgelost, het laatste jaar had men 20000 frank betaald aan de deelnemers zodoende het materiaal eigendom was van De Boerengilde.
Na de melkerij kwam er een veeverzekering en werd er een ziftmolen en een stoomgraanmolen aangekocht.

Pastoor Aerts en Arnold Lenaerts, deken van de Boerengilde, steunden ook de omliggende dorpen bij het oprichten van hun Boerengilde zoals een artikel van Rosmeer van 31 juli 1897 uit Het Algemeen Belang weergeeft. De heer Lenaerts, deken der Boerengilde van Fall-Mheer, neemt vervolgens het woord. Deze doet op zijne beurt uitschijnen, hoe voordelig en hoe schoon trouwens het voor de landbouwers is zich onderling te vereenigen; vooral wees hij er op, van welk groot belang het voor hen is eene onderlinge veeverzekering in het midden te mogen bezitten.

Op vrijdag 21 juli 1899 keerde de pastoor Aerts terug uit Brussel waar hij zijn decoratie had ontvangen voor de diensten bewezen aan de landbouw. Bij zijn thuiskomst werd hij, aan de tramhalte, opgewacht door een grote menigte. We citeren uit het Algemeen Belang: Gisteren avond kwam hij terug van Brussel. Aan de tramstatie kondigden de kanonnen met daverend geknal zijne aankomst aan heel het dorp. Meer dan honderd personen waren reeds daar en brachten hem in stoet in zijn parochie. Daar was het een ware geestdrift. Men wijfde met de zakdoeken, zwaaide met de hoeden, men juichte, en boven dat alles heen klonk steeds de kreet: Leve onze Pastoor! Honderden verdrongen zich in het dorp om hem heen, van overal wenschen men hem geluk, en boven al die geestdrift donderde onophoudend de machtige stem van het kanon die de vreugde van het dorp, over heel den omtrek kenbaar maakte.
In het patronaat bedankte de pastoor alle aanwezigen.

Twee dagen later, zondag 23 juli, werd de pastoor door zijn sympathisanten in de bloemen gezet. Niettegenstaande een ingericht tegenfeest was de zaal eivol. De deken der boerengilde, A. Lenaerts, opende de vergadering. Hij legde het doel bloot dezer in der haast gedane bijeenroeping van de parochie. Er diende hulde bewezen te worden aan de E.H. pastoor ter gelegenheid der decoratie die hij bekomen had om zijn verdiensten, niettegenstaande zo verklaarde hij luid, het gemeentebestuur gewerkt had opdat hij die decoratie niet zou bekomen. Men ging de pastoor halen die even later de zaal betrad onder luidhandgeklap.
Laurent Huls nam het woord en met krachtige stem en geestdrift hield hij de volgende redevoering: Waarde gildebroeders en vrienden. Wij hebben onzer held thans in ons midden. Het is mij niet mogelijk niet in uw aller naam hem het warme woord van hulde en dank toe te sturen. Gij weet alleen wat onze beminde heer pastoor voor ons gedaan heeft, gij kent alle zijne inrichtingen, gij waardeert heel zijne opoffering voor ons geestelijk en stoffelijk welzijn. Zijn eenig doel is ons heil. Zijn eenig streven is ons welzijn; het welzijn van ons allen, naar ziel en naar lichaam. Het is zijn arbeid voor den landbouw die hem deze groote onderscheiding heeft doen bekomen. Niettegenstaande het tegenstreven, het openlijk tegenwerken, van hen, de ondankbaren die nochtans de eer en de voorspoed der gemeente moeten lief hebben, heeft Z.M. de koning hem deze onderscheiding gegund. Al dat werk tegen dat edelmoedige priesterkleed, naar het welke leugens en lasters zijn geworpen, dat is afgebotst op het harnas der verdiensten van onzen beminden herder. Hij, de priester Gods, zal met de kracht van hierboven en de hulp van ons allen de faam van Fall-Mheer weten te redden en hoog te houden. Heden schittert in zilver op zijnen edele borst het eereteken der weldaden aan Fall-Mheer bewezen; dat zilver ontleent aan zijn hart den glans van het goud , meer nog, dien van het zuiverste diamant. Zijne faam gaat verder dan onze parochie; zin bereikt heel ons kanton, heel ons bisdom, zelfs België.
Na Laurent Huls nam de pastoor het woord en nadien werden enkele schone verzen voorgelezen namens het St-Cecilia koor. Ook werd er nog even teruggekomen op het gestolen vaandel en dat het gerecht de dieven niet had kunnen straffen. Het feest duurde nog lang en er werd met overtuiging geklonken en gedronken maar om 0u15 werd er op de pastorij geschoten. Het Algemeen Belang schreef: Om kwart na middernacht werd er van uit een naburige weide een geweerschot op de pastorij gelost. De kogel, drong door de ruit, sloeg tegen den muur waar hij afschampte om in een anderen muur nog een gat te boren. Wij hopen dat het gerecht dien misdadiger zal vinden en straffen.

Op 10 september volgde dan de officiële huldiging. Men schatte een driehonderd aanwezigen in de zaal, waaronder de Z.E.Heer Stordeur, Mr Mensing,de burgemeester van Herderen en afgevaardigden van al de boerengilden van de omtrek als erkentenis voor de pastoor, en er stond nog volk buiten.
Mijnheer A. Lenaerts nam als eerste het woord. De strijd van de pastoor is een strijd van alle dagen, en ondankbaarheid was vaak zijn beloning. Nauwelijks hier aangekomen stichtte hij de Boerengilde, en deed al wat hij kon om ze staande en bloeiend te houden. Wat al moeite en meer heeft hem onze gilde niet gekost en welk voordeelen heeft zij ons niet gegeven. Een jaar erna stichtte hij onze melkerij en dat zonder medehulp bijna, tegen veler mistrouwen in. Wij weten nochtans wat een werk en welke opofferingen daarmee gepaard gingen. De gemeente overheid zelve die hem had moeten steunen in het belang van de inwoners, die er reeds zooveel duizende frank bij wonnen, werkte tegen. Weinig daarna sticht hij hier de veeverzekering. Is het dan te verwonderen dat de minister hem gedecoreerd heeft? Neen! Zijne verdiensten pleitten toch zoo schitterend voor hem. Wat echter iedereen verbaast, dat is, toen hier in de gilde ter inlichting het schriftelijk bewijs aankwam, dat de gemeente overheid wel verre van die decoratie te vragen, den minister wilde aanzetten ze hem niet te vergunnen. Zulke ondankbaarheid zal men te Brussel evenmin hebben begrepen als hier.
Daarna overhandige A.Lenaerts, in naam van de Gildebroeders en alle voorstanders der goede zaak, de pastoor zijn portret.
Daarna trad de jonge student M.Hubert Hamers naar voren en las een gedicht voor door hem zelf geschreven.
Mr Mensing, secretaris van de Boerenbond, was de volgende die het woord nam. Hij bedankte de pastoor voor zijn inzet en dit niet alleen voor Val-Meer maar ook voor de omliggende dorpen. Evenals de E.H.Melaerts de vader van den Boerenbond van België genoemd wordt, zoo kunnen wij ook, met volle recht, den E.H Pastoor van Fall-Mheer den vader noemen der Boerengilden onzer streken. Hij somde, in het kort, de verrichtingen van de pastoor nog eens op en vermeldde dat de decoratie zeker verdiend was. Ook de aanwezige journalist mocht zijn woordje plaatsen alvorens de pastoor zelf aan het woord kwam. Hij bedankte alle aanwezigen en bracht een speciaal woord van dank uit aan zijn goede medewerker A.Lenaerts en aan de heren L.Huls, W.Savenay en H Vancom. Hij, Mr A.Lenaerts, is nooit achter gebleven wanneer het geluk gold van Fall-Mheer. In de dagen van mismoed heeft hij mij opgebeurd. Hij is een weldoener voor Fall-Mheer en allen moeten hem erkentelijk blijven. De pastoor kwam ook terug op de tegenkantingen die hij van de gemeentelijke overheid mocht ondervinden, dit had hem zeer bedroefd. Hij had nooit iemand tegengewerkt als persoon en had niets liever gehad dan hand in hand met hen samen te werken. Toen er kiezing was heb ik mij er niet mee ingelaten. Ik verlangde nochtans de boerengilde door een lid in den raad te doen vertegenwoordigen. Men heeft mij tegengewerkt. Altoos zocht ik éénheid in de werking. Ik heb mij nooit bemoeid noch met uw werken noch met uw wegen. Ik heb nooit iemand eenen dienst geweigerd. Dat ze tegengewerkt hebben, werkten rechtstreeks tegen het nadeel van vele onzen menschen, en dezen intresten dat ik wel ter harte nemen. Zo zei hij.
Als laatste nam Z.E Heer Stordeur, deken van Vlijtingen, het woord. Hij belichtte nog eens de verdiensten van de pastoor. Volgens de informatie die hij ontvangen had van M. Theelen stond het dekenaat Vlijtingen aan de spits van de Boerenbond van Limburg. Dit had men dan te danken aan de pastoor van Val-Meer. De pastoor antwoordde nog enige woorden waarna een echt vriendenfeest begon.

Bronnen :
- Het Algemeen Belang
- Archief gemeente Riemst
- Historische schets van Val-Meer van J.Jackers
- Dank aan T.Dassy