Val en Meer nemen tiendheffers onder vuur

Jozef Jackers

Op 15 september 1612 verschenen de aartsdiaconale statuten van Haspengouw. Die statuten bevatten o.a. de volgende bepalingen: de grote tiende dus de korentiende, moet het hoofdaltaar, het middenschip en de banklok onderhouden. Het onderhoud van het koor is de taak van de pastoor indien die het derde deel van de grote tiende geniet, zoniet moet de kleine tiende, dus deze van de overige gewassen en het vee hiervoor opkomen.

De gemeente moet zorgen voor de zijbeuken, de kerkhofmuren en de pastorie.

Op 14 juli 1789 brak de Franse Revolutie uit. Het ideaal van vrijheid en gelijkheid stopte niet aan onze grenzen. Een maand later brak de Luikse Revolutie uit. Deze richtte zich tegen de prins-bisschop. Op het platteland, dat zozeer onder de dwingelandij van de tiendheffers te lijden had, werd deze opstand met vreugde begroet, later bekoelde deze roes wel.

Val en Meer waren twee afzonderlijke gemeenten. De heerlijke rechten van Val waren in handen van de prins-bisschop van Luik. Meer vormde samen met Bolder een Loonse vrijheerlijkheid die van 1588 tot 1796 in bezit was van het geslacht de Méan. De heer van Meer woonde op het kasteel te Bolder.

Oproep tot muiterij in Meer

In Meer golden de grieven voornamelijk de Vrouwe van deze heerlijkheid, barones de Méan.

In 1789 brak in Meer-Bolder een opstand uit. Op 28 september 1789 had Adam Jans van Meer een volksvergadering samengeroepen en met luide stem geroepen dat hij “de edele vrouwe niet meer als Heer dezer heerlijkheden en erkende nog deszelfs drossaard ook niet meer en wilde erkennen”, eraan toegevoegd: “Hij moet ter aff!” Op dezelfde bijeenkomst had Peter Wilkens der alde van Meer eveneens geroepen: “Hij moet ter aff!”, doelende daarmee op de drossaard, de schepenen en de bode. Tenslotte wou Vaes Theunissen van Meer de inwoners opruien tot muiterij, verklarende dat hij “geen Heer oft Madame meer en erkende.” Alle drie voegden daar nog aan toe dat zij, in geval madame en haar drossaard zich niet zouden willen overgeven, tweehonderd zogenaamde patriotten zouden gaan halen om met hun hulp het Kasteel van Bolder, waar de Vrouwe verbleef, te plunderen en haar uit het kasteel te verdrijven. Op 29 oktober werden deze drie personen bij justitie van Meer ter verantwoording geroepen.

Val protesteert

Laten we nu ook even de “supplieken” naslaan, die de bewoners van Val, op notarisakte, op 12 november 1789 naar Luik stuurden.

Deze klachtenbrief bevat 9 items:

Het kapittel van Sint-Martinus in Luik bezit de grote en kleine tienden van Val. Deze bedragen gemiddeld ruim 2500 gulden per jaar. In weerwil daarvan neemt het kapittel geen enkele verplichting op zich, die hieruit voortvloeit, onder het voorwendsel dat de kerk van Val slechts een dochterkerk of quarta capella van die van Millen zou zijn. Zo laat dit schatrijke kapittel meer dan 420 zielen aan hun lot over. Hun enige zorg bestaat in het alsmaar vermeerderen van hun grote en kleine tienden, die ze met uiterste gestrengheid innen. Vandaar hun klachten:

1• De kerk van Val is veel te klein voor het aantal parochianen, die op feestdagen en bij andere plechtigheden schouder aan schouder in de kerk staan en niet allen de kerk binnen kunnen. Hun kerk eist belangrijke herstellingen, met name aan het dak, wat volgens het oordeel van de dakdekker meer dan 200 écu's zou kosten, zonder dat er de geringste
hoop bestaat op een bijdrage vanwege de tiendheffers. 2• De pastoor ontvangt van het kapittel niet één obool voor zijn levensonderhoud, terwijl de pastoor van de moederkerk (Millen), die hem benoemt, hem niets kan geven daar hij zelf jaarlijks voor zijn levensonderhoud slechts 28 mud van de tienden krijgt. Ook deze last rust dus weer op de schouders van de inwoners van Val, die daarvoor een soort tweede tiende hebben ingevoerd, t.w.een bussel koren van ieder huisgezin. Daarbuiten houdt de pastoor nog een collecte met Pasen en met Nieuwjaar. Gevoegd bij de vijftig gulden die hij jaarlijks van de kerkfabriek krijgt en hetgeen hij aan de mensen vraagt voor begrafenissen en voor het toedienen van de sacramenten, kan hij nog juist in leven blijven.

3• De kapelaan, die tevens koster is, en die wij nodig hebben voor het christelijk onderwijs aan de jeugd en voor een tweede mis, valt eveneens volledig ten laste van de inwoners. Zij geven hem, zoals aan de pastoor, een bussel koren per gezin en daarbij geeft elk huisgezin, arm en rijk, hem nog ieder jaar een brood. Samen met zijn deel in de begrafenissen en in de toediening van de sacramenten vormt dat zijn hele inkomen.

4• De pastorie is ook zeer bouwvallig en zal binnenkort grote herstellingen nodig hebben. Er bestaat geen enkele hoop dat de tiendheffers zich hiervan iets zullen aantrekken.

5•Ofschoon Val heel veel inwoners heeft, waarvan het aantal nog van dag tot dag toeneemt, bezit de kerk geen doopvont, hetgeen vele ongemakken met zich meebrengt wegens de afstand tot de moederkerk van Millen, die drie kwartier verwijderd ligt van meerdere huizen van Val en een halve mijl van de meest nabij zijnde. In de wintertijd stelt dit de pasgeboren kinderen aan het gevaar bloot van kou te sterven en de vroedvrouwen, die de kinderen dragen, te vallen. Bovendien is het dan moeilijk de pastoor bereid te vinden om te dopen en peters en meters te vinden die wegens de verre afstand weigeren te komen. Er zou moeten bepaald worden dat alle dochterkerken of quartae capellae die meer dan driehonderd communicanten hebben, over een doopvont en over het viaticum mogen beschikken, het heilig oliesel mogen toedienen zoals de andere kerken en een vaste pastoor zouden krijgen om alle sacramenten toe te dienen en de godsdienstige instructies te geven (viaticum = teerspijs als reisgeld voor de eeuwigheid).

6• In ons dorp worden industriële tienden geheven met name op lammeren en op vruchten die enorm veel moeite en geld kosten om ze te verbouwen en te oogsten, zoals koolzaad, vlas en hennep. Zo wordt heel de winst ervan aan de landbouwer onttrokken, zodat die ze alleen nog maar wil planten of zaaien voor zijn eigen gebruik. Deze tienden zouden dus afgeschaft moeten worden. Daar waar het de gewoonte is er tienden op te heffen zou een kleine geldtaks vastgesteld moeten worden in verhouding tot het aantal roeden waarop deze vruchten verbouwd worden, zoals dat reeds gebeurt in Hasselt waar sinds vele jaren de tienden op koolzaad, vlas, hennep en meekrap worden afgekocht met een overeengekomen taks in geld. (Wortels van meekrap leveren een rode verfstof op.)

•7 Val staat op de stamrol (matricule) van het land volgens dezelfde koers ingeschreven als Millen en moet bijgevolg aan dezelfde contributies en militaire invorderingen voldoen als Millen, ofschoon Val slechts ongeveer 343 bunder heeft en Millen meer dan 1300 bunder. Dat heeft te maken met het oude misbruik het aantal bunders te berekenen volgens de inschuring.

•8 Het recht op jagen en te vissen wordt door meerdere edicten aan banden gelegd en het houden van waakhonden is verboden. Hierin zou meer vrijheid moeten komen.

•9 De boeren van Val bewerken een grote hoeveelheid grond in de nabijgelegen dorpen Millen, Wonk en Bitsingen, doch deze willen hun niet toestaan het vee op hun land te laten weiden. Elkeen moet de vrijheid hebben zijn eigendom en zijn land te gebruiken zoals hem dat belieft, uiteraard zonder daardoor bij anderen schade aan te richten.

De suppliek werd ondertekend door 16 gemeentelijke afgevaardigden en beide burgemeesters van Val, Willem Thijs en Stas Savinne. Op 12 november 1789 werd ze aan de Luikse Staten voorgelegd.


• Bronnen:
• Hansay, Het Oude Land van Loon, jg.1, 1946.
J. Brouwers, Het Oude Land van Loon, jg.41, 1986