Zwart Goed

Vooral Maastrichtenaren kochten de goederen die onder de hamer kwamen vôôr het Concordaat met de paus. Nadien werden de meeste kleinere percelen gekocht.
De kerkelijke instellingen trachtten hun goederen te onttrekken aan de roofzucht van de administratie der domeinen. De stokregisters werden verborgen gehouden en de pachters verzwegen zoveel mogelijk de kerkelijke goederen die zij in gebruik hadden. Men gaf deze goederen de naam verzwegen of verholen goederen. Door de wet van 4 ventôse IX, dus 23 februari 1801, mochten deze goederen verworven worden door liefdadigheidsinstellingen. Zo kwamen de godshuizen in bezit van vele kerkelijke goederen die niet door de kerkfabrieken konden opgeëist worden.
In Val-Meer en omstreken waren het de godshuizen van Maastricht die gebruik maakten van deze wet.
Zij verwierven in Val-Meer 29 ha 55a 50ca van kerklijke instellingen zoals o.m.
- Adellijk Kapittel van Munsterbilzen 19ha 53a 70ca
- Proostdij N.D. Luik 37a 32ca
- Kapittel St. Jan Ev. Luik 2ha 86a 55ca
- Abdij van St. Gilles Luik 49a 22ca
- Kapittel Tongeren 50a 29ca
In Val-Meer werden ca 52 ha verkocht. ca 12 ha door Val-Merenaren
ca 40 ha door vreemden
Tijdens de Franse revolutie was de verhouding als volgt op 495 beteelde ha.
- klerus 147ha = 30%
- bourgeoisie 98ha = 20%
- landbouwers 250ha = 50%
Achteraf werd wel gezegd dat de gewone man te braaf was en toch "zwart goed" had moeten kopen, daar vele gronden in vreemde handen zijn overgegaan en nu nog een groot eigendomspercentage uitmaken. Doch de terreur tegen de refractaire priesters, de gehate conscriptie en de banbliksems van de Kerk waren psychologische hinderpalen.
Of moeten we er aan toevoegen zoals de ouderen vroeger braafjes zegden:"t Heeft ze geen geluk gebracht!"


(terug naar hoofdpagina)